
7 mei 2010
De uitgaven aan pakketgeneesmiddelen via openbare apotheken zijn in 2009 ten opzichte van 2008 met 1% beperkt toegenomen tot een bedrag van € 4.789 miljoen. Dure geneesmiddelen zorgden voor een stijging van de uitgaven, terwijl prijsverlagingen van generieke geneesmiddelen en de beperking van de aanspraak op slaap- en kalmeringsmiddelen een tegengesteld effect hadden.

Frank Bongers is bioloog, afgestudeerd in biochemie en farmacologie. Hij is zo'n tien jaar actief als zelfstandig adviseur en adviseert geneesmiddelenbedrijven op het gebied van business development en marketing en sales van geneesmiddelen. Verder is hij directeur geweest van SmithKline Beecham en vice-voorzitter van Nefarma. Sinds 2002 is Frank Bongers voorzitter van de Bogin, de Bond van de Generieke Geneesmiddelenindustrie Nederland. Hij is ook lid van het Executive team van de European Generic Medicines Associaton.
Het preferentiebeleid brengt de generieke industrie in grote problemen. Volgens Bogin-voorzitter Frank Bongers staan de generieke fabrikanten onder te grote druk van dit systeem van langdurige uitsluiting. "Het produceren tegen nog lagere prijzen is straks niet meer verantwoord. Prijzen kunnen niet verder omlaag."
Simvastatine is goedkoper dan een pakje kauwgom. De absolute bodem lijkt bereikt, vinden fabrikanten van generieke geneesmiddelen. Doordat het preferentiebeleid bijna alle marges heeft weggevaagd, zijn zij gedwongen tegen extreem lage kosten te produceren. Enkele fabrikanten leveren al een aantal producten niet meer, omdat het economisch onhaalbaar is.
Van gezonde concurrentie in een preferentiesysteem is volgens Bogin-voorzitter Frank Bongers dan ook absoluut geen sprake. "Straks zijn er nog een paar fabrikanten over en schieten de prijzen weer omhoog. De generieke industrie in Nederland levert wel bijna 60% van de geneesmiddelen tegen 15% van de kosten. Voor gemiddeld 25 euro per Nederlander wordt ruim de helft van de gebruikte geneesmiddelen geleverd."
Uit een recent gepubliceerd rapport van het onderzoeksbureau IMS Health blijkt dat fabrikanten in India en China producten tegen marginale prijzen aanbieden op de Europese markt. Fabrikanten in Europa kunnen daar niet mee concurreren. Als dat zo doorgaat, vreest Bongers het vertrek van de generieke industrie uit ons land en Europa. Ook apothekers ondervinden dagelijks de problemen waar de generieke industrie mee worstelt. Preferente geneesmiddelen zijn vaker tijdelijk niet leverbaar. Wat is daarvan precies de oorzaak?
"Het preferentiebeleid loopt niet in lijn met de logistieke processen van fabrikanten. Is een fabrikant door een zorgverzekeraar aangewezen als preferente leverancier, dan heeft hij de onmogelijke taak binnen een tot twee maanden grotere hoeveelheden geneesmiddelen te leveren. En omdat het preferentiebeleid de niet-preferente fabrikanten uitsluit voor een periode van een half, een heel of zelfs twee jaar, leggen deze fabrikanten steeds kleinere voorraden aan. Met alle gevolgen voor de continuïteit van levering."
Generieken komen ook van steeds verder weg, bijvoorbeeld uit India...
"Generieke geneesmiddelen voor Europa komen voor een deel uit het Verre Oosten. Vervoer vraagt dan uiteraard meer tijd, maar dat is niet de oorzaak van de leveringsproblemen. Dat is het hele proces van produceren en per EU-land verschillend verpakken."
Zorgverzekeraars stellen evengoed eisen aan de leverbaarheid.
"Zorgverzekeraars zeggen tegen apothekers ‘Lever dan maar een ander generiek geneesmiddel dat wel leverbaar is', als een preferent geneesmiddel niet te krijgen is. Dat kost artsen en apothekers veel extra tijd en de patiënt moet vaker wisselen. Allemaal negatieve effecten van het preferentiebeleid."
Ook eisen zorgverzekeraars dat apothekers geneesmiddelen over de datum afleveren.
"Dat is niet juist. Verlengen van de houdbaarheid is mogelijk en kan op basis van een houdbaarheidstest. Dat kan voor alle geneesmiddelen - generiek en spécialité - maar moet in goede afstemming met de Inspectie voor de Gezondheidszorg. De achterliggende oorzaak is dat fabrikanten met onverkochte voorraden blijven zitten als zij een preferentieronde missen. Deze voorraden bieden zij - in verband met de houdbaarheid - bij een volgende preferentieronde aan tegen veel lagere prijzen."
Met het tijdelijk uitsluiten van fabrikanten stagneert ook de ontwikkeling van nieuwe generieke geneesmiddelen, met name als voor Nederland additionele investeringen moeten worden gedaan, bijvoorbeeld voor patentrechtzaken. Ontwikkelt een aantal fabrikanten een nieuw generiek geneesmiddel en worden maar een of twee fabrikanten preferent, dan zijn de andere uitgesloten voor een langere periode. Dit is een groot risico waarvan de effecten pas na een jaar zichtbaar zijn, omdat de ontwikkelen en registratie tijd kosten. Bongers benadrukt het grote belang van een gezonde markt met echte concurrentie. "Dit is geen oproep om de industrie te beschermen, maar een appèl aan zorgverzekeraars. Uitsluitend focussen op de allerlaagste prijs kan niet zonder risico's blijven."
Ook de EGA, de internationale organisatie van generieke fabrikanten, maakt zich volgens Bongers zorgen. "Willen we de industrie behouden voor Europa, dan moet er iets gebeuren. We hebben de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen al voor een groot deel zien vertrekken naar de Verenigde Staten. Die investeringen in research proberen we nu met een stimuleringsprogramma weer terug te halen. Laten we oppassen dat de productie van generieken niet ook uit Europa vertrekt."
U bent bang dat fabrikanten vertrekken uit Nederland?
"Ik maak me daar wel zorgen over. Eén Bogin-lid heeft zijn productiefaciliteit in Nederland al gesloten. Maar ik vrees geen onmiddellijk vertrek, want ze willen graag actief blijven op alle markten. Verder ga ik als voorzitter van Bogin niet over het beleid van mijn leden. Wel is duidelijk dat de fabrikanten het steeds moeilijker krijgen."
Is India het nieuwe productieland?
"Daar wordt inderdaad veel geproduceerd. Maar ze hebben natuurlijk ook een grote thuismarkt. Ook China is in opkomst. Een zorg voor de Inspecties, want hoe moeten zij hun controles blijven uitvoeren op deze mondiale schaal?"
Johan van der Sluis - directeur van Focus Farma en importeur van Ranbaxy - heeft in 2008 in het PW gezegd dat hij Westerse kwaliteit levert tegen Oosterse prijzen ...
"Daar ga ik niet op reageren. Ik geef aan dat het produceren tegen nog lagere kosten straks mogelijk niet meer verantwoord is. De prijs kan echt niet nog verder omlaag!"
Ranbaxy is toch het bedrijf dat de Nederlandse markt door elkaar heeft geschud?
"Dat valt wel mee. De prijsdaling die Ranbaxy verzoorzaakte, vond plaats in januari 2008, een daling van 7% ten opzichte van andere partijen. In hedendaagse verhoudingen dus niet zo indrukwekkend. De echt grote dalingen van de taxeprijzen kwamen in juli 2008 door de uitbreiding van het preferentiebeleid. Een groot deel van die prijsverlagingen moest wel worden gecompenseerd door verhoging van de receptregelvergoeding. Het was alle partijen van het Transitieakkoord bekend dat een groot deel van de kortingen nodig was ter compensatie van de te lage receptregelvergoeding."
Bestaat er een kloof tussen de breedgeassortimenteerde en de ‘take the money en run'-fabrikanten?
"Concurrentie is goed. Maar als er meer fabrikanten grote volumes van een beperkt aantal producten aanbieden tegen lage prijzen, zal dat de markt verder kapot maken. En het werkt niet bevorderend voor de continuïteit van levering en de introductie van nieuwe generieke geneesmiddelen."
Behoort Focus Farma tot deze laatste groep?
"Het past mij niet een oordeel over een ander bedrijf uit te spreken. Focus Farma vertegenwoordigt Ranbaxy, een bedrijf dat zich ook zorgen maakt over de huidige ontwikkelingen op de Europese markten."
Generiek fabrikanten lijken nog geen grip te krijgen op de markt van biosimilars
"De argumenten van de innovatieve industrie om de productie van biosimilars tegen te houden lijken sterk op de ‘oude' argumenten tegen generieke geneesmiddelen. De feiten zijn dat voor biosimilars een uitgebreid dossier moet worden ingeleverd, waaronder goed klinisch onderzoek. De beoordeling van het generiek is dus vergelijkbaar met het referentieproduct. Het CBG-MEB zou zich duidelijker kunnen uitlaten over de vergelijkbaarheid met het referentieproduct!"
De innovatieve industrie dwarsboomt de generieke fabrikanten.
"Dat de innovatieve industrie er alles aan doet om de eigen positie te beschermen zou mij niet verbazen. Ik heb het CBG gevraagd duidelijker stelling te nemen als de kwaliteit van een generiek geneesmiddel ter discussie staat. Zij moeten zich uitspreken over de onderlinge vervangbaarheid van spécialité en generiek. Het CBG zou dat ook moeten uitdragen naar de voorschrijvers." Bongers ziet het preferentiebeleid liever vandaag dan morgen verdwijnen. Zorgverzekeraars hebben inmiddels diverse alternatieven ontwikkeld voor het preferentiebeleid. De Bogin is voorstander van rechtstreeks onderhandelen tussen apothekers en zorgverzekeraars over de vergoedingen van geneesmiddelen, zoals bijvoorbeeld bij het Idea-model van Achmea. "Het is goed als twee partijen met een duidelijke relatie met elkaar tot afspraken komen over zorg en ‘handel'. Apothekers kunnen goed inkopen en zouden daarvoor in ruil een financiële prikkel kunnen ontvangen." Wat Bongers betreft mogen de afspraken over substitutie tussen apothekers en zorgverzekeraars wel wat ambitieuzer. "In de Verenigde Staten en in Engeland is de substitutiegraad beduidend hoger. In Nederland kan dat best omhoog naar 90%."
Bestaat de taxe straks nog?
"De taxe is een vreemd instrument. De sector lijkt vergeten te zijn dat de taxe is bedoeld als lijst met bruto-adviesprijzen. Komen apothekers en zorgverzekeraars gezamenlijk tot vergoedingen dan heeft de taxe alleen nog die functie. De taxe moet weer een advieslijst worden voor brutoprijzen."
Is het erg als de taxe verdwijnt?
"De lijst staat door nieuwe systemen zoals het Idea-model van Achmea al ter discussie. Dat is een goede ontwikkeling."
Terugkijkend: het preferentiebeleid is een geschenk of een beproeving?
"Het preferentiebeleid heeft veel teweeg gebracht, maar het grote probleem is dat de sector nog steeds geen marktwerking kent. Sinds het eerste convenant, nu zo'n zes jaar geleden, voeren we gesprekken over betere marktwerking, maar het schiet maar niet op. De NZa onderzoekt voor de vaststelling van een tarief nog steeds de praktijkkosten en inkoopvoordelen van apotheken. Hierdoor ontstaat eerder een verder gereguleerde dan een gedereguleerde markt. Mijn hoop is gevestigd op de Commissie-Alders, die zou moeten zorgen voor goede afspraken tussen apothekers en zorgverzekeraars." ‘
Kwaliteit generieke geneesmiddelen onder druk
Fabrikanten van generieke geneesmiddelen zijn door de lage prijzen gedwongen voor zo laag mogelijke kosten te produceren. Het zoeken naar steeds lagere productiekosten maakt het moeilijker de kwaliteit te blijven garanderen. "Ik wil kosten en kwaliteit niet direct aan elkaar verbinden, maar het systeem staat onder druk", aldus Frank Bongers. " Maar we moeten ook voor die kwaliteit willen betalen." Volgens Bongers is het een incident, maar enkele weken geleden vond een recall plaats van clopidogrel, een generiek product van Ratiopharm. "De recall vond uit voorzorg plaats, omdat afwijkingen van GMP-regels waren geconstateerd. Overigens waren er geen aanwijzingen dat het product onveilig was." Signaal of incident, de Inspectie voor de Gezondheidszorg stelde onlangs dat het huidige systeem van inspectie niet meer is opgewassen tegen de complexiteit van de wereldwijde geneesmiddelenmarkt. Maakt de Inspectie zich terecht zorgen over de kwaliteit van simvastatine uit India? "De kwaliteit is gecontroleerd en blijkt voldoende, zo stelde minister Klink van VWS onlangs op basis van een onderzoek van de Inspectie. Maar Klink maakt zich wel zorgen en gaat dit in Europees verband bespreken", aldus Bongers.


Enquête CBG-MEB
Deel uw ervaring met achterstanden en geef uw mening via onze enquête
Meer maagmiddelen voor minder
16 oktober 2009
Het gebruik van maagmiddelen zal in 2009 relatief sterk toenemen, terwijl de geneesmiddelenuitgaven voor de meeste verzekeraars onder invloed van lagere prijzen aanzienlijk zullen dalen. Vooral huisartsen kiezen veel vaker voor geneesmiddelen waarvan generieke varianten beschikbaar zijn. Al jarenlang neemt het gebruik van de protonpompremmers sterk toe. In 2008 nam het aantal door de Nederlandse openbare apothekers verstrekte standaarddagdoseringen (DDD‘s) met ruim 13% toe tot 385 miljoen. In dezelfde periode namen de bijbehorende geneesmiddelenkosten (exclusief clawback) met 13% af tot € 230 miljoen. Prijsverlagingen van generieke geneesmiddelen als gevolg van het preferentiebeleid van zorgverzekeraars zijn de belangrijkste oorzaak van deze afname. Binnen de maagmiddelen vormen protonpompremmers verreweg de grootste groep.
Ruim 95% van de kosten van maagmiddelen wordt besteed aan protonpompremmers. In 2009 zal het gebruik naar verwachting nog sterker toenemen. Tot en met augustus 2009 nam het aantal verstrekte DDD‘s met 16% toe in vergelijking met dezelfde periode in 2008. Ondanks de sterke toename van het gebruik zullen de geneesmiddelenkosten ook in 2009 sterk dalen. In de periode tot augustus van dit jaar namen deze kosten met 25% af.
Meer generiekOmeprazol (Losec) blijft in 2009 de meest gebruikte maagzuurremmer. Het aantal verstrekte DDD‘s nam in de periode van januari tot en met augustus met 19% toe. Bij esomeprazol (Nexium) – het linksdraaiende isomeer van omeprazol – bedroeg deze stijging 17%. In tegenstelling tot omeprazol zijn van esomeprazol nog geen generieke varianten beschikbaar. Het aantal verstrekte DDD‘s van pantoprazol (Pantozol) nam met 13% toe. Pantoprazol wordt sinds begin mei 2009 generiek aangeboden. Ruim drie maanden na het patentverloop is meer dan driekwart van de verstrekte DDD‘s van dit middel generiek. Hierdoor neemt het aandeel van de generieke protonpomremmers toe van ruim de helft in het begin van dit jaar tot 70% in augustus.
Gevolgen preferentiebeleidOnder invloed van het preferentiebeleid dat verzekeraar Menzis voert voor pantoprazol, is een aantal generieke varianten fors lager geprijsd dan het spécialité. Vanwege het couvertmodel van Uvit hebben niet alle generieken de prijsdalingen gevolgd. Dit couvertmodel is een variant op het preferentiebeleid waarin via een onderhandse aanbesteding niet het laagst geprijsde product via een openbare geneesmiddelenprijslijst wordt gekozen, maar het product van de leverancier die de meeste korting aan de verzekeraar biedt. Zo bedraagt de officiële apotheekinkoopprijs van 30 pantoprazoltabletten 40 mg bij de voorkeursleverancier van Uvit € 28,47, terwijl de laagst geprijsde variant momenteel € 2,84 kost. Inmiddels heeft Uvit bekendgemaakt dat deze hogere geneesmiddelenkosten niet meetellen voor het eigen risico. Voor de apotheek blijft het pakjesmodel vreemde bijwerkingen houden. De clawbackafdracht van 8,53% door de apotheek voor deze duurdere variant komt in de buurt van de totale kosten van het laagst geprijsde middel. Daarnaast is de btw–afdracht aan de fiscus op deze manier van kortinguitkering veel te hoog.
De apotheker draagt btw af over de hoge apotheekinkoopprijs, terwijl de zorgverzekeraar die geen btw–plicht heeft de btw over de ontvangen korting niet kan terugclaimen bij de fiscus.
Eerste keuzeBij huisartsen is omeprazol momenteel duidelijk de protonpompremmer van eerste keuze. Driekwart van alle eerste uitgiften van protonpompremmers in openbare apotheken waarbij een huisarts de voorschrijver is, betreft een verstrekking van omeprazol. Pantoprazol en esomeprazol hebben bij 15% respectievelijk 8% van de huisartsen de voorkeur. Het aandeel van de huisartsenvoorschriften in het totale aantal eerste uitgiften van protonpompremmers bedraagt 75%. Voor de eerste voorschriften van specialisten liggen de verhoudingen heel anders. Van de eerste voorschriften van protonpompremmers van specialisten is 39% voor pantoprazol. Omeprazol en esomeprazol volgen beide met 29%. In het afgelopen jaar blijkt het aandeel van esomeprazol bij de eerste specialistenvoorschriften langzaam terrein te winnen ten koste van pantoprazol. Opvallend daarbij is dat van de eerstgenoemde nog geen generieke variant beschikbaar is en van pantoprazol inmiddels wel.
figuur 1: Verdeling eerste uitgiften protonpompremmers naar soort voorschrijver, juni t/m augustus 2009. 
Bij het eerste voorschrijven van een protonpompremmer maken huisartsen meestal een andere keuze dan specialisten. Huisartsen hebben als eerste voorschift duidelijk voorkeur voor omeprazol. Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen
Incidenten
10.20 uur Minister Klink van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
‘Transparantie in de relatie farmaceutische industrie en beroepsbeoefenaren: let the sun shine in’
Indien u bij deze gelegenheid aanwezig wilt zijn, kunt u zichaanmelden via de website van de CGR (www.cgr.nl)
Wednesday 4th March 2009
Drug giant boosts generic sales
Pharmaceutical giant Pfizer is to begin selling generic drugs throughout the US and Europe as part of a recent trend by brand name drug makers to move into the generics market. The move is an attempt to cash in on the hundreds of drugs that have lost patent protection in the United States and overseas.
Pfizer reached an agreement with Indian company Aurobindo Pharma to produce generics as part of the New York-listed company's established products unit. The Greenstone subsidiary already profits from the sale of more than 300 Pfizer medicines that have lost patent protection but still managed to generate $10 billion (£7.1bn) in sales last year. Aurobindo will take care of getting approval to make generic versions, while Pfizer will handle the marketing after licensing each product from Aurobindo.
David Simmons, president and general manager of the established products unit, said: "We're targeting by 2013 to generate more than $1 billion in incremental sales for the company through portfolio expansion." He said Pfizer is also considering how best to market all those off-patent drugs in emerging markets such as China, Russia and India.
Copyright Press Association 2009 Pfizer
© Campden Publishing Limited 2009
March 2 (Press release)
CGPA Welcomes President Obama's Support for Generic Biologics:
Urges Canadian Government to Implement Approval Pathway
TORONTO, March 2 /CNW/ - The Canadian Generic Pharmaceutical Association(CGPA) today urged the Government of Canada to follow United States President Barack Obama's budget proposal and implement an approval pathway for genericbiologic drugs. "President Obama recognizes the importance of providing patients suffering from cancer, diabetes and other diseases access to affordable alternatives by implementing an approval pathway for generic biologics," said Jim Keon, CGPA President. "We call on the Government of Canada to make that same commitment to Canadian patients."
President Obama's budget, which was released last week, called for the removal of barriers to allow for the approval of generic biologics, which are drugs made from living organisms, not chemicals. Brand-name biologics can cost hundreds of thousands of dollars per patient each year. In Canada, a number of these biologics will be coming off-patent over the next five years, and the patents for others have already expired. "Competition from safe and effective generic biologics would save consumers, provincial drug plans and private insurers millions of dollars each year and provide many more patients with access to lifesaving treatments," Keon said.
Health Canada has held extensive consultations on a Canadian approval pathway for generic biologics, but to date there is no firm target for implementing this important cost-saving measure. An approval pathway has been available for generic biologics in the European Union since 2004. CGPA member companies have already successfully developed and registered generic biologics in other jurisdictions, clearly demonstrating the scientific, medical and technological capabilities of Canada’s generic pharmaceutical industry.
One example of a generic biologic that would benefit Canadian patients is epoetin alpha, a man-made version of human erythropoietin (EPO). Epoetin is used to treat severe anemia in people whose bodies cannot produce enough natural EPO. Epoetin may also be used to prevent or treat anemia caused by other conditions, such as AIDS, cancer, or surgery. The brand-name version of this product, Eprex, has been on the market in Canada since 1990 and had sales of approximately $142-million in Canada in 2008.
Another example is filgrastim, which used to treat neutropenia, a condition that can be caused by chemotherapy, bone marrow transplants, and advanced HIV infections. Sold under the brand-name Neupogen, the product had Canadian sales of over $88-million in 2008. Both epoetin alpha and filgrastim are two of the generic biologics already approved by the European Medicines Association (EMEA) for patient use in the European Union, and the generic pharmaceutical industry expects these will be among the first generic biologics available to patients in both Canada and the United States once federal approval pathways are implemented.
16 februari 2009 News@Genericsbulletin Issue 248
Intellectual Property
EGA proposes patent change
Divisional patents that are substantially identical to the parent are being looked at closely by the European Patent Office (EPO). In a meeting last week with the European Generics medicines Association (EGA), the EPO's president Alison Brimelow said a change in the procedural rules was being debated by the EPO that would end such abuses.
Discussing the recent EGA report on intellectual property barriers to generic competition (Generics bulletin, 19 June 2008, page 10), Brimelow agreed that third-party observations were not considered at all or were considered too late. She said she would look into the problem, although she pointed out that the EPO’s refusal rate for weak applications had increased and that examiners had been given more time to refuse applications.
Lidia Mallo, the EGA’s legal and government affairs manager, said the EGA would continue its “constructive dialogue” with the EPO aimed at improving the efficiency of Europe’s patent system. In particular, the EGA wants the EPO to introduce a duty of candour to ensure all relevant information is disclosed by the applicant. This would need the European Patent Convention to be amended, Brimelow said, which was a change requiring the political support of member states.
The European Commission recently proposed a single community patent and a “unified and specialised” patent judiciary in its preliminary competition report (Generics bulletin, 5 December 2008, page 1). The EGA responded, however, by stating: “Proposals that do not address the urgent need for expert judges and the overuse of interim injunctions will not resolve many of the problems [hindering pharmaceutical market competition].”
12 februari 2009, Pharmaceutisch Weekblad, Jaargang 144 Nr 7
Aandeel generiek neemt toe
Het aandeel generieke voorschriften neemt ook na het preferentiebeleid toe tot bijna 60%. Deze ontwikkeling laat zien dat de vrees voor resubstitutie in 2008 ongegrond was. De prijsverlagingen per 1 juli 2008 die het gevolg waren van het preferentiebeleid maakten een eind aan de hoge kortingen op generieke geneesmiddelen. In de media werd uit de mond van zorgverzekeraars en volksvertegenwoordiging de vrees opgetekend dat resubstitutie naar duurdere merkgeneesmiddelen het gevolg zou kunnen zijn. Ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) ging hiervan uit bij de inschattingen van de gevolgen van het preferentiebeleid voor apotheekhoudenden.
Meer generiek
Van alle keren dat Nederlandse openbare apothekers in 2008 een receptplichtig geneesmiddel verstrekten betrof dat in 57,4% een generieke variant, tegen 55,6% in 2007. Het aandeel generieke verstrekkingen steeg vooral in de tweede helft van 2008, het halfjaar na de drastische prijsverlagingen van de generieke middelen. Het kwam toen uit op 58,7%, terwijl dat in het halfjaar daarvoor met 55,9% vrijwel gelijk aan dat van 2007 was. Deze ontwikkeling staat haaks op de inschattingen van de NZa. De toename van het aandeel generiek komt vooral voor rekening van geneesmiddelen die in het individuele preferentiebeleid van verzekeraars zijn opgenomen, zoals perindopril, metroprolol, ibuprofen, tamsulosine en risperidon. Voor perindopril en risperidon loopt het aandeelverhogende effect ten gevolge van het preferentiebeleid parallel aan dat wat bij geneesmiddelen meestal wordt gezien als er een generieke variant beschikbaar komt. De stijging van het generieke marktaandeel metropolol past redelijk in de trendmatige ontwikkeling. Het beeld bij tamsulosine toont in de tweede helft van 2008 een generiek aandeel van 86%. Dat is duidelijk meer dan op grond van de ingezette trend mocht worden verwacht. Het specialité Omnic OCAS, met afwijkende toedieningvorm, verloor dientengevolge aanzienlijk terrein. Hier is duidelijk merkbaar dat de preferentiebeleidvoerende verzekeraars de aanspraak hebben beperkt tot de door hen aangewezen geneesmiddelen. Het preferentiebeleid biedt de zorgverzekeraars namelijk meer ruimte dan het al langer bestaande substitutiebeleid, waarbij substitutie alleen is toegestaan als generiek en specialité identiek zijn met betrekking tot werkzame stof(fen), sterkte en geneesmiddelvorm. Volgens de wetgever moeten zorgverzekeraars binnen het preferentiebeleid per werkzame stof of combinatie van werkzame stoffen, minimaal één geneesmiddel aanwijzen dat voor vergoeding in aanmerking komt en hoeven ze daarbij geen rekening te houden met andere sterkten en afwijkende toedieningsvormen. Apothekers mogen alleen dan van het preferentiebeleid afwijken als de voorschrijvende arts aangeeft dat er voor de patiënt een medische noodzaak bestaat.
Resubstitutie
Bij de beoordeling van generieke substitutie zijn zowel de mogelijkheden op geneesmiddelniveau als die op het niveau van een farmacotherapeutische groep van belang. Op geneesmiddelniveau gaat het daarbij om merkloze middelen die equivalent zijn aan het specialité en op therapeutische-groepniveau om merkloze geneesmiddelen binnen de groep van geneesmiddelen met dezelfde ATC4-code. De substitutiegraad op geneesmiddelniveau lag voor receptplichtige geneesmiddelen in de eerste helft van 2008 op 90,8%. In de tweede helft van 2008 is deze gestegen naar 93,1% van het generieke potentieel. Dus van alle receptplichtige geneesmiddelen die als een generieke variant zouden kunnen worden afgeleverd, is 6,9% een specialité. De substitutiegraad op therapeutische-groepniveau lag in de tweede helft van 2008 op 67,6%, in het halfjaar daarvoor nog op 65,6%. Deze stijging komt voornamelijk op het conto van de ACE-remmers (hoge bloeddruk), de propionzuurderivaten (onderdeel van de NSAID's), de selectieve bètablokkers en de cholesterolverlagende statines. De ontwikkelingen in beide substitutievarianten tonen aan dat er van de gevreesde resubstitutie geen sprake is. figuur 1: Ontwikkeling generieke marktaandeel ten opzichte van het potentieel op equivalent geneesmiddelniveau en therapeutisch niveau (ATC4), eerste helft van 2007 = 100.
In de tweede helft van 2008 nam zowel het aandeel generieke verstrekkingen op geneesmiddel- als op therapeutisch niveau relatief sterk toe.
Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen
5 december 2008, Medisch Contact 63 nr. 49
Goed gekopieerd
Biosimilars even effectief en veilig als dure biologicals
Generieke geneesmiddelen zijn producten waarvan de werkzame stof een exacte kopie is van het originele geneesmiddel. Na het verloop van de wettelijke beschermingsperiode of van het octrooi mogen generieke bedrijven deze moleculen kopiëren en registreren. Het dossier voor registratie is beperkt van omvang en bevat naast een compleet chemisch-farmaceutisch deel alleen een studie naar de bio-equivalentie tussen het oorspronkelijke merkproduct en het generieke middel. Bio-equivalentie betekent dat de beide middelen een gelijkwaardig bloedspiegelverloop hebben in de tijd. Werking en veiligheid zijn dan gelijk. Dierproeven of klinisch onderzoek zijn in dat geval wettelijk niet meer nodig; voor die gegevens kan de generieke fabrikant verwijzen naar het oorspronkelijke dossier. De generiekegeneesmiddelenmarkt in Nederland is sterk gegroeid: van een aandeel van 20 procent in 1994 naar inmiddels meer dan 50 procent.
Groeihormonen
Biotechnologische geneesmiddelen (biologicals) vormen een van de snelst groeiende segmenten in de farmaceutische industrie. Biologicals zijn geneesmiddelen die als actieve substantie biotechnologisch-afgeleide eiwitten bevatten. Dat wil zeggen: gemaakt door levende (genetisch gemodificeerde) cellen of organismen. Belangrijke groepen biologische geneesmiddelen zijn groeihormonen, TNFalfablokkers, interferonen, erytropoëtinen, insulinen, koloniestimulerende factoren en monoklonale antilichamen. De ontwikkeling van met name monoklonale antilichamen binnen de oncologie neemt een hoge vlucht. Ze zijn een belangrijk onderdeel geworden van het therapeutisch arsenaal. De verwachting is dat in 2010 deze dure biofarmaceutische producten 25 procent van de farmaceutische omzet en 50 procent van alle nieuwe toepassingen zullen omvatten. Kopieën - en dus goedkopere versies - van deze biologische geneesmiddelen worden wel biosimilars genoemd. Omnitrope, een biotechnologisch geproduceerd groeihormoon, gemaakt door Sandoz, was in 2006 de eerste geregistreerde biosimilar op de Europese markt. Het referentieproduct was Genotropin (Pfizer). Inmiddels zijn ook de eerste drie biosimilars van erytropoëtine (epoëtine) in 2007 geregistreerd en de verwachting is dat vele andere biosimilars zullen volgen.
Levende systemen
Biosimilars zijn niet vergelijkbaar met traditionele generieke geneesmiddelen. De Europese registratieautoriteit EMEA beschouwt ze als een opzichzelfstaande groep nieuwe producten (similar biological medicinal products). Biosimilars kennen dezelfde aandachtspunten wat betreft de kwaliteit als biologicals. Kenmerkend is het complexe productieproces van deze geneesmiddelen in levende systemen (gemodificeerde cellijnen of organismen) waardoor in theorie variaties in de actieve stof kunnen ontstaan. Dit zou aanzienlijke verschillen kunnen opleveren die consequenties hebben voor kwaliteit, werking en bijwerkingen. Vandaar dat additionele eisen worden gesteld aan de vergelijkbaarheid van kopie en referentieproduct. Dit vereiste vergelijkingsproces wordt ook wel comparability exercise genoemd. Dit moet in de eerste plaats vanuit chemisch-farmaceutisch oogpunt gebeuren, wat met hedendaagse technieken goed mogelijk is. Daarnaast moet vergelijkbaarheid met behulp van dierfarmacologisch en klinisch onderzoek worden aangetoond. Dezelfde dosis moet eenzelfde klinische werkzaamheid hebben, maar dit hoeft niet voor alle indicaties te worden aangetoond. Voldoende is dit te doen voor de meest gevoelige indicatie of klinische test. Hiervoor is specifiek onderzoek nodig dat het kleinste verschil in effectiviteit ook daadwerkelijk aantoont. Dit is afhankelijk van het product. Voor groeihormoon (GH) moet die gelijke effectiviteit worden aangetoond bij naïeve GH-deficiënte jonge kinderen. Indien de werkzaamheid voor andere indicaties op hetzelfde werkingsmechanisme is gebaseerd, kunnen ook de andere indicaties worden geaccepteerd.
Bijwerkingen
Aan het registratiedossier voor een biosimilar worden dus veel meer eisen gesteld dan aan een dossier voor een generiek geneesmiddel. De EMEA heeft naast algemene richtlijnen voor biologicals ook productgroepspecifieke richtsnoeren vastgesteld. Net als voor andere biologicals gelden voor biosimilars strenge eisen wat betreft de veiligheid van het nieuwe product in relatie tot het originele product, waarvan het veiligheidsprofiel bekend is. Er moet worden gekeken of er onverwachte bijwerkingen zijn of dat er een verschil is in de frequentie van veelvoorkomende bijwerkingen. Naast de herkomst van de actieve stof kunnen hulpstoffen en conserveringsmiddelen van invloed zijn op het eindproduct. Er is speciale aandacht voor eventuele immunogeniciteit. Alle biologische geneesmiddelen hebben een risico op het ontwikkelen van specifieke antilichamen. Uiteraard mag dit bij een biosimilar beslist niet hoger zijn dan bij het originele product. Ook al zijn de resultaten tot nu toe geruststellend, toch worden nog nadere eisen gesteld om dit verder te bevestigen na registratie. Soms worden er beperkingen aan het gebruik gesteld. De epoëtinebevattende biosimilars zijn uitsluitend goedgekeurd voor intraveneus gebruik. Er waren onvoldoende gegevens over de veiligheid bij subcutane toediening. Het is bekend dat subcutane toediening in het algemeen een groter risico op ontwikkeling van antilichamen kent, vandaar de beperking.
Uitwisselbaar
Als een biosimilar door de EMEA is geregistreerd, kunnen we ervan uitgaan dat een biosimilar ten minste net zo veilig, effectief en van een vergelijkbare kwaliteit is als het originele product. Desalniettemin is er na introductie op de markt wel een verschil in ervaring tussen de beide producten. Hoe zal de biosimilar zich feitelijk gedragen als deze wordt toegepast bij grote groepen patiënten, bijvoorbeeld wat betreft zeldzame bijwerkingen en eventuele immunogeniciteit. In principe geldt dezelfde zorg voor originele biologicals. Immers ook deze originele producten ondergaan wijzingen in het productieproces die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid. Het optreden van pure red cell aplasia (PRCA) bij Eprex, jaren nadat het op de markt kwam, is daarvan een voorbeeld. Vandaar dat de EMEA van de fabrikant een pharmacovigilanceprogramma (geneesmiddelbewaking) eist na registratie. Net zoals dat gebeurt bij andere biologische geneesmiddelen moeten patiënten die met een biosimilar worden behandeld, intensief worden gevolgd. Biosimilars zijn dus therapeutisch gelijkwaardig en derhalve uitwisselbaar. Substitutie is iets anders en speelt veelal op het niveau van de (ziekenhuis)apotheek. Voor biosimilars mag dit naar onze mening alleen in overleg met de behandelend arts. Goede samenwerking tussen arts, apotheker en patiënt is hierbij een voorwaarde. Als er toch bijwerkingen optreden, dan is het van groot belang dat duidelijk is welk preparaat en uit welke batch de patiënt een middel heeft gebruikt. Bij het gebruik van groeihormoonpreparaten speelt naast de keuze voor een bepaald groeihormoon ook de keuze van de patiënt voor een bepaald toedieningsysteem (pen voor dagelijkse subcutane injectie) gekoppeld aan een specifiek groeihormoonpreparaat een rol. Dit aspect moet worden meegewogen bij substitutie.
Database
Er is eigenlijk geen reden om terughoudend te zijn met het gebruik van biosimilars. Biosimilars zijn bij registratie even effectief en veilig als het originele referentieproduct. Echter elk nieuw biotechnologisch middel (dus ook een biosimilar) herbergt potentieel onbekende risico's. Zeer kleine verschillen in effecten op lange termijn en zeldzame bijwerkingen tussen biosimilar en origineel product kunnen alleen worden opgespoord door middel van langdurige follow-uponderzoeken bij grote groepen patiënten. Alle partijen die zijn betrokken bij biosimilars zouden moeten investeren in de opbouw van een breed beschikbare database met veiligheidsgegevens.
Samenvatting
- Biosimilars zijn kopieën en goedkope versies van biotechnologische geneesmiddelen (biologicals).
- Deze eiwitten kenmerken zich door een complexe structuur en dito productieproces. Vandaar dat in het registratiedossier additionele eisen worden gesteld aan de vergelijkbaarheid van kopie en referentieproduct.
- Bij registratie echter zijn biosimilars even effectief en veilig, en dus uitwisselbaar.
- Substitutie dient alleen in overleg met de arts plaats te vinden.
Auteurs
dr. Anton Franken, internist Isala klinieken, lid College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG)
dr. Frits Lekkerkerker, oud-voorzitter CBG, oud-lid werkgroep biosimilars European Medicines Agency (EMEA)
Correspondentieadres: a.a.m.franken@isala.nl;
c.c.: redactie@medischcontact.nl
Geen belangenverstrengeling gemeld.