BOND VAN DE GENERIEKE GENEESMIDDELENINDUSTRIE NEDERLAND
Zurich Toren

Bogin
Jan Pieterszoon Coenstraat 7
2595 WP Den Haag
Tel. +31(0)70 - 799 92 37
Fax +31(0)70 - 799 93 70
bogin@planet.nl

Routebeschrijving

Member of
EGA IGPA
Nieuwsartikelen 

NIEUW

Enquête CBG-MEB

Deel uw ervaring met achterstanden en geef uw mening via onze enquête

Obama pushes to reduce exclusivity period for brand-name biotech drugs

Kroes verhoogt druk op farma

Next step towards generics, Pfizer teams with Strides

Meer maagmiddelen voor minder

Heemskerk: doorvoer generieke medicijnen mag niet onnodig gehinderd

Generieke anti-epileptica goed onderzocht

Jubileum Symposium - CGR 10 jaar

Drug giant boosts generic sales

CGPA Welcomes President Obama's Support for Generic Biologics

Intellectual Property: EGA proposes patent change

Aandeel generiek neemt toe

Goed gekopieerd: Biosimilars even effectief en veilig als dure biologicals

Generieke geneesmiddelensubstitutie en therapietrouw

Nieuwe ronde, nieuwe labels

Antitrust: Tussenverslag onderzoek farmasector brengt
kostprijs vertragingstactieken farmabedrijven in beeld


Nog geen marktverschuivingen

Labeltrouw apotheken hoger dan beweerd

Prijzenslag generieke geneesmiddelen

Obama pushes to reduce exclusivity period for brand-name biotech drugs
 

15 januari 2010
The AP reports, "Makers of generic biotech drugs, backed by President Barack Obama and a well-placed congressional ally, are waging an eleventh-hour battle to reduce the competitive protection that the emerging health overhaul bill would give to brand-name producers of the expensive pharmaceuticals."

Both the Senate and House bills currently grant "biotech producers 12 years of protection against lower-cost generic competitors," but Obama and Rep. Henry Waxman (D-CA) "are trying to reduce the curbs against competition to 10 years or less." The AP notes that the effort to reduce the protections "could be a way for the administration to pressure the industry to increase its contributions, or to make it easier for Obama to show the $80 billion deal with drugmakers will benefit consumers." 

CQ Today (1/15, Wayne) adds that Democrats are looking to raise "more money to increase subsidies for people required to buy insurance policies under the health legislation," and reducing the exclusivity period for brand-name biologics "would likely produce additional savings in government health programs."
The New York Times (1/14, Pollack) "Prescriptions" blog also covers the story.
 

Kroes verhoogt druk op farma


13 januari 2010
De Europese Commissie vermoedt dat grote farmabedrijven fabrikanten van merkloze geneesmiddelen betalen om de introductie van die goedkopere medicijnen uit te stellen. Dat blijkt uit uitlatingen van eurocommissaris van mededinging Neelie Kroes gisteren.

De Commissie maakte bekend dat ze grote farmaconcerns heeft gevraagd om informatie over elke schikking die in de periode 1 juli 2008 tot 31 december 2009 is bereikt bij conflicten over octrooien op medicijnen. De actie past in het streven van Brussel om de Europese medicijnenmarkt beter te laten werken.

'De schikkingen in octrooikwesties baren ons zorgen', zei eurocommissaris Kroes gisteren. 'We moeten dit soort overeenkomsten bekijken om beter te begrijpen waarom, door wie en onder welke voorwaarden ze tot stand zijn gekomen.'

Fabrikanten van de zogeheten generieke middelen en de producenten van merkmedicijnen botsen na het verlopen van het patent op een geneesmiddel regelmatig met elkaar. Dat leidt ertoe dat het soms lang duurt voordat er goedkopere, merkloze varianten van bekende geneesmiddelen op de markt komen.

De laatstgenoemde medicijnen kosten gemiddeld zo'n 40% minder dan een merkpil. Eurocommissaris Kroes zei vorig jaar dat in de periode 2007-2008 een arsenaal van vertragingstactieken van medicijnfabrikanten ertoe leidde dat zorgaanbieders euro 3 mrd duurder uit waren. Die vertragingstactieken behelzen behalve juridische procedures ook het indienen van clusters aan octrooien, waardoor het extra lastig is uit te maken of een generiek middel inbreuk maakt op een octrooi.

De Commissie heeft nu de grote farmabedrijven Astra Zeneca, Glaxo Smith Kline, Sanofi-Aventis, Roche, Novartis, Böhringer-Ingelheim, Stada en het Duitse Merck gevraagd informatie te geven over de door hen bereikte schikkingen.

Voorzitter Frank Bongers van de Bogin, de belangenvereniging van Nederlandse fabrikanten van generieke geneesmiddelen, zegt de door Kroes geschetste werkwijze niet te herkennen uit de Nederlandse praktijk. Hij onderstreept wel dat er veel rechtszaken zijn over octrooien. 'Niet alle octrooien zijn zo duidelijk als ze lijken. Daarom moet er ook betere octrooiwetgeving komen.'

Volgens de Europese Commissie waren er in de periode 2000-2007 bijna zevenhonderd juridische conflicten tussen fabrikanten van merkmedicijnen en de generieke producenten. Het aantal zaken nam in die periode met een factor vier toe.

Volgens Brussel liepen 228 conflicten uit op een schikking. Gemiddeld namen de zaken 2,8 jaar in beslag. In ruim twintig zaken rond 49 medicijnen betaalden de merkfabrikanten een bedrag van euro 200 mln aan schikking.

Los van de algemene vraag die Brussel bij de grote farmaconcerns neerlegt, zijn er eerder ook meerdere inspecties geweest van Kroes' medewerkers bij kantoren van zowel merkfabrikanten als producenten van generieke middelen. Vorige week maakte de Commissie nog bekend dat ze het Deense concern Lundbeck ervan verdenkt dat het de introductie van een merkloze variant van zijn antidepressiemiddel Citalopram heeft bemoeilijkt en vertraagd.

De diensten van Kroes waren in december al bij Lundbeck, het Israëlische farmabedrijf Teva en andere fabrikanten binnengevallen. Teva geldt als de grootste producent van generieke middelen ter wereld.
Bron: Het Financieele Dagblad  

Next step towards generics, Pfizer teams with Strides 

7 januari 2010
Pfizer will soon sell more generic pharmaceuticals in the US after its agreement with Indian non-branded drugmaker Strides Arcolab. Under the deal, Pfizer’s existing products unit will sell as many as 40 additional off-patent sterile injectables and oral solid dose drugs supplied to it by Strides and its Onco Laboratories joint-venture Aspen Pharmacare. The collaboration, the third major agreement Pfizer has signed with an Indian generics firm after its deals with Aurobindo Pharma and Claris Lifesciences last year, fits with the general trend of Big Pharma investment in the non-branded drug sector. For example, in 2009 Sanofi Aventis acquired Laboratorios Kendrick and Medley, GlaxoSmithKline (GSK) bought shares in Aspen Pharmacare and Novartis purchased Ebewe Pharma’s non-branded injectables unit.

Collaboration with a point: injectables
However, Pfizer’s tie-up with Strides, financial terms of which have not been disclosed, is more of a targeted move than some recent partnerships, according to existing products unit president David Simmons.
He told Reuters that a key motivation for the Strides deal is Pfizer’s desire to expand in the US generic injectable drug market, which he valued at around $11bn (€6.2bn) a year.
Simmons explained that Pfizer looked at many companies before selecting Strides as a partner and went on to describe the Bangalore-based firm as a “powerhouse in the sterile injectables area."
Arun Kumar, Strides’ managing director, was similarly enthusiastic about the new agreement, explaining that Pfizer's infrastructure will help his firm reach a larger number of customers than had been possible before.
“We have established a reputation for efficient formulation development and technologies, manufacturing and operational flexibility and we are looking to brining these strengths to bear in our collaboration with Pfizer.”

More Big Pharma deals for Strides
Kumar also suggested that the partnership with Pfizer may be just the start of the Indian firm’s Big Pharma generics collaborations. He told Dow Jones Newswire that: "We believe that there will be many more partnerships going forward, with Pfizer, with GlaxoSmithKline and many other companies that are looking to expand their portfolio of products."

© 2000/2010 - Decision News Media SAS - All right reserved.


Enquête CBG-MEB

Deel uw ervaring met achterstanden en geef uw mening via onze enquête

6 januari 2010
Het CBG investeert op verschillende manieren in het wegwerken en voorkomen van achterstanden. Het CBG heeft het oplossen van achterstanden tot zijn eerste doelstelling gemaakt van het Strategisch Business Plan 2009-2013. 

Omdat de achterstanden een gedeelde problematiek is waar mensen betrokken bij het registratieproces mee te maken hebben, vragen wij input van alle belanghebbenden via een enquête. 

Het doel van deze enquête is niet om individuele achterstanden of problemen op te lossen, maar om het CBG een beter beeld te geven van hoe achterstanden worden ervaren. 

Deze enquête betreft alléén het veld van de allopatische (reguliere) geneesmiddelen voor mensen; de sectie diergeneesmiddelen en homeopatische middelen worden buiten beschouwing gelaten.Het invullen van de vragenlijst neemt ongeveer 15 minuten in beslag. 

Meer informatie:
a. lees ons nieuwsbericht van 17 december 2009 - Wegwerken van achterstanden in afhandeling zaken
b. ga voor meer informatie over de strategische doelstelling m.b.t. achterstanden naar  registratiezaken > hoe pakt het cbg de achterstanden van de aanvragen van nieuwe handelsvergunningen aan?



Meer maagmiddelen voor minder

16 oktober 2009
Het gebruik van maagmiddelen zal in 2009 relatief sterk toenemen, terwijl de geneesmiddelenuitgaven voor de meeste verzekeraars onder invloed van lagere prijzen aanzienlijk zullen dalen. Vooral huisartsen kiezen veel vaker voor geneesmiddelen waarvan generieke varianten beschikbaar zijn.
Al jarenlang neemt het gebruik van de protonpompremmers sterk toe. In 2008 nam het aantal door de Nederlandse openbare apothekers verstrekte standaarddagdoseringen (DDD‘s) met ruim 13% toe tot 385 miljoen. In dezelfde periode namen de bijbehorende geneesmiddelenkosten (exclusief clawback) met 13% af tot € 230 miljoen. Prijsverlagingen van generieke geneesmiddelen als gevolg van het preferentiebeleid van zorgverzekeraars zijn de belangrijkste oorzaak van deze afname. Binnen de maagmiddelen vormen protonpompremmers verreweg de grootste groep.
Ruim 95% van de kosten van maagmiddelen wordt besteed aan protonpompremmers. In 2009 zal het gebruik naar verwachting nog sterker toenemen. Tot en met augustus 2009 nam het aantal verstrekte DDD‘s met 16% toe in vergelijking met dezelfde periode in 2008. Ondanks de sterke toename van het gebruik zullen de geneesmiddelenkosten ook in 2009 sterk dalen. In de periode tot augustus van dit jaar namen deze kosten met 25% af.

Meer generiekOmeprazol (Losec) blijft in 2009 de meest gebruikte maagzuurremmer. Het aantal verstrekte DDD‘s nam in de periode van januari tot en met augustus met 19% toe. Bij esomeprazol (Nexium) – het linksdraaiende isomeer van omeprazol – bedroeg deze stijging 17%. In tegenstelling tot omeprazol zijn van esomeprazol nog geen generieke varianten beschikbaar. Het aantal verstrekte DDD‘s van pantoprazol (Pantozol) nam met 13% toe. Pantoprazol wordt sinds begin mei 2009 generiek aangeboden. Ruim drie maanden na het patentverloop is meer dan driekwart van de verstrekte DDD‘s van dit middel generiek. Hierdoor neemt het aandeel van de generieke protonpomremmers toe van ruim de helft in het begin van dit jaar tot 70% in augustus.

Gevolgen preferentiebeleidOnder invloed van het preferentiebeleid dat verzekeraar Menzis voert voor pantoprazol, is een aantal generieke varianten fors lager geprijsd dan het spécialité. Vanwege het couvertmodel van Uvit hebben niet alle generieken de prijsdalingen gevolgd. Dit couvertmodel is een variant op het preferentiebeleid waarin via een onderhandse aanbesteding niet het laagst geprijsde product via een openbare geneesmiddelenprijslijst wordt gekozen, maar het product van de leverancier die de meeste korting aan de verzekeraar biedt. Zo bedraagt de officiële apotheekinkoopprijs van 30 pantoprazoltabletten 40 mg bij de voorkeursleverancier van Uvit € 28,47, terwijl de laagst geprijsde variant momenteel € 2,84 kost. Inmiddels heeft Uvit bekendgemaakt dat deze hogere geneesmiddelenkosten niet meetellen voor het eigen risico. Voor de apotheek blijft het pakjesmodel vreemde bijwerkingen houden. De clawbackafdracht van 8,53% door de apotheek voor deze duurdere variant komt in de buurt van de totale kosten van het laagst geprijsde middel. Daarnaast is de btw–afdracht aan de fiscus op deze manier van kortinguitkering veel te hoog.
De apotheker draagt btw af over de hoge apotheekinkoopprijs, terwijl de zorgverzekeraar die geen btw–plicht heeft de btw over de ontvangen korting niet kan terugclaimen bij de fiscus.

Eerste keuzeBij huisartsen is omeprazol momenteel duidelijk de protonpompremmer van eerste keuze. Driekwart van alle eerste uitgiften van protonpompremmers in openbare apotheken waarbij een huisarts de voorschrijver is, betreft een verstrekking van omeprazol. Pantoprazol en esomeprazol hebben bij 15% respectievelijk 8% van de huisartsen de voorkeur. Het aandeel van de huisartsenvoorschriften in het totale aantal eerste uitgiften van protonpompremmers bedraagt 75%. Voor de eerste voorschriften van specialisten liggen de verhoudingen heel anders. Van de eerste voorschriften van protonpompremmers van specialisten is 39% voor pantoprazol. Omeprazol en esomeprazol volgen beide met 29%. In het afgelopen jaar blijkt het aandeel van esomeprazol bij de eerste specialistenvoorschriften langzaam terrein te winnen ten koste van pantoprazol. Opvallend daarbij is dat van de eerstgenoemde nog geen generieke variant beschikbaar is en van pantoprazol inmiddels wel.

figuur 1: Verdeling eerste uitgiften protonpompremmers naar soort voorschrijver, juni t/m augustus 2009.

maazuur_400_01


Bij het eerste voorschrijven van een protonpompremmer maken huisartsen meestal een andere keuze dan specialisten. Huisartsen hebben als eerste voorschift duidelijk voorkeur voor omeprazol.
 Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen


Heemskerk: doorvoer generieke medicijnen mag niet onnodig gehinderd


6 september 2009 
'De doorvoer van generieke medicijnen naar óntwikkelingslanden mag niet onnodig worden gehinderd.' Dat zegt staatssecretaris Heemskerk in reactie op Kamervragen. Soms houdt de Nederlandse douane op verzoek van producenten medicijnen tegen die in doorvoer zijn naar ontwikkelingslanden en waarvan medicijnfabrikanten vinden dat sprake is van namaak van hun product. Het kan dan gaan om aidsremmers, maar bijvoorbeeld ook life style medicijnen. Volgens Heemskerk is het cruciaal dat hierbij de zorg in ontwikkelingslanden niet in de knel komt. 'Het belang van de beschikbaarheid van goedkope generieke medicijnen in ontwikkelingslanden staat voorop. Wel moet namaak actief worden bestreden, omdat namaakmedicijnen gevaarlijk kunnen zijn en de rechten van fabrikanten moeten worden gerespecteerd', aldus Heemskerk.

Incidenten

Omdat de EU-douaneregels voor medicijndoorvoer niet duidelijk zijn en er een aantal incidenten is geweest waarbij medicijnen op de kade bleven staan, heeft Heemskerk de kwestie aangekaart bij de Europese Commissie (EC). Inmiddels zijn als gevolg van de incidenten vijf acties in gang gezet, schrijft Heemskerk. Zo start de EC een brede evaluatie van de douaneregels. Daarnaast heeft de EC vooruitlopend hierop als tijdelijke oplossing een 'explanatory memorandum' voor douanediensten gemaakt. Hierin wordt uitgelegd hoe de EU-Douaneverordening zo kan worden geïnterpreteerd dat onbelemmerde doorgang van generieke medicijnen is gegarandeerd en echte namaak wordt aangepakt.

Soepeler procedures
Verder bespreekt Nederland met hulporganisaties of in samenspraak met fabrikanten en douane kan worden gekomen tot soepeler procedures voor zendingen van echte medicijnen. Ook wordt binnenkort openbaar gemaakt welke bedrijven de douane verzoeken om het tegenhouden van zendingen. In Duitsland gebeurt dit al en het is volgens Heemskerk een goede maatregel om de problematiek transparanter te maken. Tot slot heeft de EC inmiddels ook richting de ambassadeurs van India en Brazilië (de belangrijkste handelspartners op het gebied van generieke medicijnen) aangegeven te werken aan een snelle oplossing, zodat generieke medicijnen niet onnodig worden gestopt bij de grenzen.

Doorvoer
In 2008 heeft de Nederlandse douane 17 partijen (grondstoffen voor) medicijnen tegengehouden. Alle 17 partijen waren op doorvoer ('in transit') en hadden dus een bestemming buiten de EU. Inmiddels zijn er van de 17 tegengehouden partijen nu 16 vrijgegeven, één zending ligt nog vast omdat de afzender en de octrooihouder nog geen overeenstemming hebben bereikt.

Bron: www.ez.nl



Generieke anti-epileptica goed onderzocht
Wees niet bang voor generiek
 

4 september 2009

De generieke anti-epileptica die momenteel op de markt zijn, kunnen zich qua effectiviteit goed meten met de spécialités. Apothekers moeten bij substitutie hierover vooral geen onzekerheid creëren of voeden, want de gemoedsrust heeft ook invloed op epileptische toevallen.  Tien jaar na de introductie van een spécialité mogen generieke varianten worden geregistreerd, zonder uitgebreid dierexperimenteel en klinisch onderzoek. Rond de introductie van een generiek middel probeert de fabrikant van de spécialité zijn marktaandeel zo goed mogelijk te verdedigen, soms door artsen en patiënten bang te maken voor mogelijke verschillen tussen hun product en het ‘namaakmiddel’. Iets dergelijks deed zich de afgelopen jaren voor rond lamotrigine (Lamictal), waarvan de beschermingsperiode van tien jaar in 2005 afliep. Vele jaren daarvoor werden patiënten met epilepsie en hun behandelaars geconfronteerd met generieke varianten van Depakine (valproïnezuur) en Tegretol (carbamazepine) [1]. En al binnenkort zullen wellicht de eerste generieke varianten van Topamax (topiramaat) verschijnen.  

Negatief beeld
Er zijn beduidend meer publicaties met een negatief dan met een positief beeld van generieke medicijnen. De onrust zaaiende literatuur blijkt soms te berusten op enquêtes onder voorschrijvers met een zeer lage respons, en de betreffende publicaties zijn nogal eens gesponsord door de fabrikant van de spécialité [2-4]. Zelfs is beweerd dat de besparing door generieke substitutie niet opweegt tegen de kosten van de gevolgen ervan [5]. Neurologen zijn extra alert op problemen rond biologische beschikbaarheid. Dit heeft vooral te maken met de eigenschappen van fenytoïne. Door de niet-lineaire farmaco-kinetiek van dit middel hebben kleine verschillen in biologische beschikbaarheid soms forse gevolgen. Het meest dramatische voorbeeld is een ‘uitbraak’ van intoxicaties met fenytoïne in Australië, toen in 1967 van de vulstof calciumsulfaat van een merk fenytoïnenatriumcapsules werd overgegaan op lactose [6]. Elke neuroloog wordt tegenwoordig in zijn opleiding nadrukkelijk gewezen op de interactie met calciumionen (bijvoorbeeld in antacida, sondevoeding), maar die kennis moest toen nog worden opgedaan. Bij de beoordeling van generieke middelen gaan de registratieautoriteiten niet over één nacht ijs [7]. De eisen aan het chemischfarmaceutische dossier zijn even zwaar als de eisen aan het originele product, door de in tien jaar verscherpte eisen soms zelfs zwaarder. Deze eisen betreffen onder andere kwaliteit van grondstoffen en hulpstoffen, bereidingswijze, onzuiverheden, dissolutie en houdbaarheid. Een generiek product bevat soms iets andere hulpstoffen dan het origineel, op overgevoeligheid hiervoor moet natuurlijk altijd gelet worden. Overgevoeligheid voor hulpstoffen is evenwel zelden een probleem. Vervolgens moet de fabrikant van het generieke product aantonen dat zijn middel dezelfde klinische effecten zal hebben als het origineel, het referentieproduct. Dat gebeurt doorgaans aan de hand van bioequivalentieonderzoek.  

Fenytoïne
Bij de oudere anti-epileptica is al veel ervaring opgedaan met generieke varianten, van sommige middelen bestaat de spécialité niet eens meer. De omzetting van Diphantoïne (fenytoïne) in Diphantoïne-Z in de jaren negentig, waarbij het natriumzout van dit middel is vervangen door het microkristallijne zuur, past niet in dit rijtje. Deze verandering was bewust, om een constantere afgifte te bereiken, onafhankelijk van de status van het maagdarmkanaal. Wel is ook toen eenzelfde soort onderzoek naar de bio-equivalentie uitgevoerd [8]. Gezien de niet-lineaire kinetiek van fenytoïne worden in zo’n geval de eisen aan bio-equivalentie wel verscherpt. Als er al anti-epileptica zijn waarbij verschillen tussen preparaten consequenties zouden kunnen hebben, dan zijn dat vooral de slecht in water oplosbare middelen fenytoïne en carbamazepine.  

Carbamazepine
Van carbamazepine zijn in de jaren negentig generieke varianten geïntroduceerd waarvan nog lang daarna beweerd is dat bij de gebruikers verschillen in werking optraden na het switchen van merk. In die jaren waren de eisen aan bio-equivalentie iets minder scherp dan tegenwoordig. De eis rond de oppervlakte onder de curve (AUC) was wel gelijk, maar aan het moment van de maximale concentratie (C max) zijn indertijd minder eisen gesteld. [1]. Dat hield in dat er verschillen zouden kunnen zijn in het bereiken van de piekconcentratie in het bloed. Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen heeft specifiek hiernaar onderzoek laten doen waarin een aantal generieke middelen die op de markt waren gekocht in vitro en in vivo met elkaar zijn vergeleken. In vitro bleken inderdaad verschillen in oplossnelheid te bestaan. Toen deze tabletten bij vrijwilligers als enkele dosis werden getest, bleek ook een verschil in C max [9]. Dit is echter nog geen bewijs voor verschillen bij patiënten: door auto-enzyminductie verandert de kinetiek bij herhaaldelijk gebruik aanzienlijk. Patiënten worden tolerant voor bepaalde bijwerkingen. Daarom is bij een groep van twaalf epilepsiepatiënten die een onderhoudsbehandeling met carbamazepine kregen, de volgende proef gedaan. Zij kregen elke twee weken een ander merk, waarbij op de laatste dag telkens een dagcurve van de plasmaconcentratie is bepaald en tegelijkertijd een aantal psychometrische tests is gedaan om cognitie en reactiesnelheid te meten. In deze situatie bleek geen verschil tussen de preparaten te bestaan, noch qua plasmaconcentraties, noch wat cognitieve prestaties betreft [10]. Hiermee lijkt wel aangetoond dat de eisen aan single dose-experimenten scherp genoeg zijn om gevolgen tijdens onderhoudsbehandeling bij de meeste gebruikers uit te sluiten. Van één merk carbamazepinetabletten is overigens aangetoond, dat bij verkeerd bewaren (bijvoorbeeld in een vochtige omgeving) inderdaad de oplosbaarheid achteruitgaat.  

De apotheker mag geen onrust creëren
De huidige generatie generieke producten kan de vergelijkende toets met de spécialités best doorstaan. Daarom dienen apothekers bij generieke substitutie geen onrust te creëren, maar juist de zekerheid uit te stralen dat beide middelen hetzelfde effect hebben. Gezien de invloed van de psyche op epileptische toevallen is het overigens wel verstandig zo weinig mogelijk van merk, uiterlijk of verpakking te veranderen. Ook het Farmacotherapeutisch Kompas neemt in dit verband een voorzichtig standpunt in: ‘Men moet ernaar streven dat een voorgeschreven preparaat waarmee de aanvallen onder controle zijn gebracht of waarop een patiënt goed is ingesteld, in dezelfde toedieningsvorm (generiek of spécialité) wordt gecontinueerd.’ Daarbij worden carbamazepine en valproïnezuur als mogelijk problematische preparaten genoemd. Bij valproïnezuur is de kans op een verschil in systemische effecten echter klein, mogelijk kan de gastro-intestinale verdraagbaarheid iets uitmaken. Van fenytoïne is slechts één preparaat in de handel; bij fenytoïne moet gelet worden op verschillen met eventuele magistrale bereidingen.  

Strenge eisen aan bio-equivalentieonderzoek
Een groep (meestal gezonde) vrijwilligers krijgt eenmaal een dosis van de spécialité en bijvoorbeeld een week later eenzelfde (equimolaire) dosis van het generieke product. In beide gevallen op hetzelfde moment van de dag, meestal op een nuchtere maag. Dit gebeurt in gerandomiseerde volgorde. Na beide inname wordt op vastgestelde tijdstippen bloed afgenomen en wordt de concentratie daarin van het middel bepaald. De plasmaconcentratietijdcurves van beide producten moeten nagenoeg gelijk zijn, zowel wat betreft de AUC als de C max, soms ook het tijdstip waarop de C max bereikt wordt. De curves van beide producten worden statistisch met elkaar vergeleken. Voor de twintig tot dertig vrijwilligers moet het 90%-betrouwbaarheidsinterval van de ratio tussen de twee producten binnen de grenzen van 80-125% liggen. Afhankelijk van de eigenschappen van de tablet (bijvoorbeeld bij gereguleerde afgifte) moet deze test herhaald worden met gelijktijdige inname van voedsel, of niet alleen na enkelvoudige toediening maar ook na herhaalde toediening. Op deze wijze wordt de grootst mogelijke zekerheid verkregen dat ook bij therapeutisch gebruik de plasmaconcentraties bij overgang van het ene middel naar het andere gelijk zullen blijven [14]. Deze eisen berusten op Europese richtlijnen en zijn redelijk streng te noemen; herhaaldelijk wordt de registratie van een generiek geneesmiddel geweigerd omdat de bio-equivalentie niet bewezen is. Vaak ligt dat aan de kwaliteit van de studies (geen good clinical practice), of een enkele ‘uitschieter’, waarvoor geen afdoende verklaring is; soms is de spreiding tussen de individuen te groot.  

Vertrouwen
Een feit dat veel critici nog wel eens vergeten, is dat er ook veranderingen aan de spécialité plaatsvinden, bijvoorbeeld verandering van hulpstoffen en veranderingen op de productieplaats aan apparatuur en dergelijke. In die gevallen moet ook de fabrikant van de spécialité door middel van eenzelfde type bio-equivalentieonderzoek aantonen dat de veranderingen geen gevolgen hebben voor het therapeutische effect en voor mogelijke bijwerkingen. De eisen die gesteld worden aan de mate van overeenkomst tussen twee batches van de spécialité zijn dezelfde als die bij vergelijking tussen het generieke preparaat en de spécialité. Toch is in de literatuur voldoende casuïstiek te vinden over problemen bij de overgang van spécialité naar generiek. Helaas wordt er niet bij vermeld dat deze problemen evengoed kunnen optreden bij de overgang van de ene batch van de spécialité naar de andere, en ook zonder dat de medicatie van de patiënt verandert. Epilepsieaanvallen doen zich immers volstrekt onregelmatig voor. Voor epilepsie geldt bovendien dat ook de psyche invloed op de aanvallen heeft. Als de patiënt geen vertrouwen heeft in het (nieuwe) middel, is een kans op aanvallen niet denkbeeldig. Mede op grond hiervan is het standpunt van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie: ‘Substitutie van anti-epileptica vanwege financiële redenen is op zich wel geoorloofd, maar kan bij een aantal patiënten tot problemen leiden. Substitutie vergt derhalve een zorgvuldige begeleiding van en voorlichting aan de patiënt en zo nodig overleg met de voorschrijver. Wanneer voor substitutie wordt gekozen, is het van het grootste belang dat er continuïteit is in de vorm van de aflevering (generiek of spécialité) en dient er vervolgens in principe daarna niet meer gewisseld te worden in vorm of fabrikant’ [11]. De Nederlandse neuroloog en epilepsiedeskundige Carpay pleit voor wetenschappelijk onderzoek om de veiligheid en de kosteneffectiviteit van substitutie aan te tonen [12]. Overigens is er ook onderzoek waaruit blijkt dat het eventuele wantrouwen van patiënten in generieke geneesmiddelen niet zodanig is dat dit gevolgen heeft voor de therapietrouw. In een onderzoek met antihypertensiva lag de therapietrouw zelfs iets hoger na substitutie [13]. 

A.F.A.M. Schobben is ziekenhuisapotheker/klinisch farmacoloog aan het Universitair Medisch Centrum Utrecht, en hoogleraar farmacotherapie aan het Departement farmaceutische wetenschappen van de Universiteit Utrecht. Zie voor de literatuurreferenties de digitale versie van dit artikel op pw.nl.

Jubileum Symposium
CGR 10 jaar

Donderdag 28 mei 2009
Sociëteit De Witte – Den Haag

Het bestuur van de Stichting Code Geneesmiddelenreclame (CGR) heeft het genoegen u uit te nodigen voor het symposium ter gelegenheid van haar tienjarig bestaan. 
Tien jaar geleden ging de zelfregulering op het gebied van geneesmiddelenreclame een nieuwe fase in. Naast de brancheorganisaties van leveranciers van geneesmiddelen, traden ook de koepelorganisaties van beroepsbeoefenaren toe tot de zelfregulering. Met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Inspectie voor de Gezondheidszorg werd overeengekomen dat de naleving van de regels op het gebied van geneesmiddelenreclame primair bij de CGR kwam te liggen, waarbij de Inspectie zich kon concentreren op excessen.  Nu 10 jaar later is de CGR uitgegroeid tot een gerespecteerde zelfregulerende instantie die haar bestaansrecht heeft bewezen. Het toezicht op de regels op het gebied van geneesmiddelenreclame vormt daarmee een uniek voorbeeld van publiek-private samenwerking. Die vaststelling vormt de basis voor een symposium waarmee de CGR haar jubileum luister bijzet.

Het symposium heeft als thema:  Markt en overheid, samen handhaven
Programma
Tijdens het symposium kunt u kennismaken met de nieuwe voorzitter van de CGR, de heer Benk Korthals. Verder hebben wij de eer om de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te verwelkomen. Journalist Herman Vuijsje zal reageren op beide inleiders. Na een korte pauze volgt een interactieve zaakbehandeling waarbij wij graag uw stem willen horen. Na afloop van deze sessie praten wij graag samen met u na tijdens een lunch.

10.00 uur Welkom en inleiding door de voorzitter van de CGR, de heer Benk Korthals

10.20 uur Minister Klink van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
              ‘Transparantie in de relatie farmaceutische industrie en beroepsbeoefenaren: let the sun shine in’

10.40 uur Herman Vuijsje - Column – reactie op de voordrachten van de heren Korthals en Klink
11.00 uur Pauze
11.30 uur Casus: een interactief kijkje in de keuken van de CGR


Indien u bij deze gelegenheid aanwezig wilt zijn, kunt u zichaanmelden via de website van de CGR (www.cgr.nl)


Wednesday 4th March 2009
Drug giant boosts generic sales


Pharmaceutical giant Pfizer is to begin selling generic drugs throughout the US and Europe as part of a recent trend by brand name drug makers to move into the generics market. The move is an attempt to cash in on the hundreds of drugs that have lost patent protection in the United States and overseas.
 

Pfizer reached an agreement with Indian company Aurobindo Pharma to produce generics as part of the New York-listed company's established products unit. The Greenstone subsidiary already profits from the sale of more than 300 Pfizer medicines that have lost patent protection but still managed to generate $10 billion (£7.1bn) in sales last year. Aurobindo will take care of getting approval to make generic versions, while Pfizer will handle the marketing after licensing each product from Aurobindo.
 
David Simmons, president and general manager of the established products unit, said: "We're targeting by 2013 to generate more than $1 billion in incremental sales for the company through portfolio expansion." He said Pfizer is also considering how best to market all those off-patent drugs in emerging markets such as China, Russia and India. 

Copyright Press Association 2009 Pfizer 
© Campden Publishing Limited 2009

March 2 (Press release)
CGPA Welcomes President Obama's Support for Generic Biologics:
Urges Canadian Government to Implement Approval Pathway
 
TORONTO, March 2 /CNW/ - The Canadian Generic Pharmaceutical Association(CGPA) today urged the Government of Canada to follow United States President Barack Obama's budget proposal and implement an approval pathway for genericbiologic drugs. "President Obama recognizes the importance of providing patients suffering from cancer, diabetes and other diseases access to affordable alternatives by implementing an approval pathway for generic biologics," said Jim Keon, CGPA President. "We call on the Government of Canada to make that same commitment to Canadian patients." 

President Obama's budget, which was released last week, called for the removal of barriers to allow for the approval of generic biologics, which are drugs made from living organisms, not chemicals. Brand-name biologics can cost hundreds of thousands of dollars per patient each year. In Canada, a number of these biologics will be coming off-patent over the next five years, and the patents for others have already expired.
 "Competition from safe and effective generic biologics would save consumers, provincial drug plans and private insurers millions of dollars each year and provide many more patients with access to lifesaving treatments," Keon said.

Health Canada has held extensive consultations on a Canadian approval pathway for generic biologics, but to date there is no firm target for implementing this important cost-saving measure. An approval pathway has been available for generic biologics in the European Union since 2004. CGPA member companies have already successfully developed and registered generic biologics in other jurisdictions, clearly demonstrating the scientific, medical and technological capabilities of Canada’s generic pharmaceutical industry. 
 

One example of a generic biologic that would benefit Canadian patients is epoetin alpha, a man-made version of human erythropoietin (EPO). Epoetin is used to treat severe anemia in people whose bodies cannot produce enough natural EPO. Epoetin may also be used to prevent or treat anemia caused by other conditions, such as AIDS, cancer, or surgery. The brand-name version of this product, Eprex, has been on the market in Canada since 1990 and had sales of approximately $142-million in Canada in 2008. 
 

Another example is filgrastim, which used to treat neutropenia, a condition that can be caused by chemotherapy, bone marrow transplants, and advanced HIV infections. Sold under the brand-name Neupogen, the product had Canadian sales of over $88-million in 2008. Both epoetin alpha and filgrastim are two of the generic biologics already approved by the European Medicines Association (EMEA) for patient use in the European Union, and the generic pharmaceutical industry expects these will be among the first generic biologics available to patients in both Canada and the United States once federal approval pathways are implemented.
 


16 februari 2009 News@Genericsbulletin Issue 248
Intellectual Property
EGA proposes patent change

Divisional patents that are substantially identical to the parent are being looked at closely by the European Patent Office (EPO). In a meeting last week with the European Generics medicines Association (EGA), the EPO's president Alison Brimelow said a change in the procedural rules was being debated by the EPO that would end such abuses.

Discussing the recent EGA report on intellectual property barriers to generic competition (Generics bulletin, 19 June 2008, page 10), Brimelow agreed that third-party observations were not considered at all or were considered too late. She said she would look into the problem, although she pointed out that the EPO’s refusal rate for weak applications had increased and that examiners had been given more time to refuse applications.

Lidia Mallo, the EGA’s legal and government affairs manager, said the EGA would continue its “constructive dialogue” with the EPO aimed at improving the efficiency of Europe’s patent system. In particular, the EGA wants the EPO to introduce a duty of candour to ensure all relevant information is disclosed by the applicant. This would need the European Patent Convention to be amended, Brimelow said, which was a change requiring the political support of member states.

The European Commission recently proposed a single community patent and a “unified and specialised” patent judiciary in its preliminary competition report (Generics bulletin, 5 December 2008, page 1). The EGA responded, however, by stating: “Proposals that do not address the urgent need for expert judges and the overuse of interim injunctions will not resolve many of the problems [hindering pharmaceutical market competition].”

12 februari 2009, Pharmaceutisch Weekblad, Jaargang 144 Nr 7
Aandeel generiek neemt toe

Het aandeel generieke voorschriften neemt ook na het preferentiebeleid toe tot bijna 60%. Deze ontwikkeling laat zien dat de vrees voor resubstitutie in 2008 ongegrond was. De prijsverlagingen per 1 juli 2008 die het gevolg waren van het preferentiebeleid maakten een eind aan de hoge kortingen op generieke geneesmiddelen. In de media werd uit de mond van zorgverzekeraars en volksvertegenwoordiging de vrees opgetekend dat resubstitutie naar duurdere merkgeneesmiddelen het gevolg zou kunnen zijn. Ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) ging hiervan uit bij de inschattingen van de gevolgen van het preferentiebeleid voor apotheekhoudenden.

Meer generiek
Van alle keren dat Nederlandse openbare apothekers in 2008 een receptplichtig geneesmiddel verstrekten betrof dat in 57,4% een generieke variant, tegen 55,6% in 2007. Het aandeel generieke verstrekkingen steeg vooral in de tweede helft van 2008, het halfjaar na de drastische prijsverlagingen van de generieke middelen. Het kwam toen uit op 58,7%, terwijl dat in het halfjaar daarvoor met 55,9% vrijwel gelijk aan dat van 2007 was. Deze ontwikkeling staat haaks op de inschattingen van de NZa. De toename van het aandeel generiek komt vooral voor rekening van geneesmiddelen die in het individuele preferentiebeleid van verzekeraars zijn opgenomen, zoals perindopril, metroprolol, ibuprofen, tamsulosine en risperidon. Voor perindopril en risperidon loopt het aandeelverhogende effect ten gevolge van het preferentiebeleid parallel aan dat wat bij geneesmiddelen meestal wordt gezien als er een generieke variant beschikbaar komt. De stijging van het generieke marktaandeel metropolol past redelijk in de trendmatige ontwikkeling. Het beeld bij tamsulosine toont in de tweede helft van 2008 een generiek aandeel van 86%. Dat is duidelijk meer dan op grond van de ingezette trend mocht worden verwacht. Het specialité Omnic OCAS, met afwijkende toedieningvorm, verloor dientengevolge aanzienlijk terrein. Hier is duidelijk merkbaar dat de preferentiebeleidvoerende verzekeraars de aanspraak hebben beperkt tot de door hen aangewezen geneesmiddelen. Het preferentiebeleid biedt de zorgverzekeraars namelijk meer ruimte dan het al langer bestaande substitutiebeleid, waarbij substitutie alleen is toegestaan als generiek en specialité identiek zijn met betrekking tot werkzame stof(fen), sterkte en geneesmiddelvorm. Volgens de wetgever moeten zorgverzekeraars binnen het preferentiebeleid per werkzame stof of combinatie van werkzame stoffen, minimaal één geneesmiddel aanwijzen dat voor vergoeding in aanmerking komt en hoeven ze daarbij geen rekening te houden met andere sterkten en afwijkende toedieningsvormen. Apothekers mogen alleen dan van het preferentiebeleid afwijken als de voorschrijvende arts aangeeft dat er voor de patiënt een medische noodzaak bestaat.

Resubstitutie

Bij de beoordeling van generieke substitutie zijn zowel de mogelijkheden op geneesmiddelniveau als die op het niveau van een farmacotherapeutische groep van belang. Op geneesmiddelniveau gaat het daarbij om merkloze middelen die equivalent zijn aan het specialité en op therapeutische-groepniveau om merkloze geneesmiddelen binnen de groep van geneesmiddelen met dezelfde ATC4-code. De substitutiegraad op geneesmiddelniveau lag voor receptplichtige geneesmiddelen in de eerste helft van 2008 op 90,8%. In de tweede helft van 2008 is deze gestegen naar 93,1% van het generieke potentieel. Dus van alle receptplichtige geneesmiddelen die als een generieke variant zouden kunnen worden afgeleverd, is 6,9% een specialité. De substitutiegraad op therapeutische-groepniveau lag in de tweede helft van 2008 op 67,6%, in het halfjaar daarvoor nog op 65,6%. Deze stijging komt voornamelijk op het conto van de ACE-remmers (hoge bloeddruk), de propionzuurderivaten (onderdeel van de NSAID's), de selectieve bètablokkers en de cholesterolverlagende statines. De ontwikkelingen in beide substitutievarianten tonen aan dat er van de gevreesde resubstitutie geen sprake is.
figuur 1: Ontwikkeling generieke marktaandeel ten opzichte van het potentieel op equivalent geneesmiddelniveau en therapeutisch niveau (ATC4), eerste helft van 2007 = 100.

sfk_12022009_2_400

In de tweede helft van 2008 nam zowel het aandeel generieke verstrekkingen op geneesmiddel- als op therapeutisch niveau relatief sterk toe.

Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen


5 december 2008, Medisch Contact 63 nr. 49

Goed gekopieerd
Biosimilars even effectief en veilig als dure biologicals

Generieke geneesmiddelen zijn producten waarvan de werkzame stof een exacte kopie is van het originele geneesmiddel. Na het verloop van de wettelijke beschermingsperiode of van het octrooi mogen generieke bedrijven deze moleculen kopiëren en registreren. Het dossier voor registratie is beperkt van omvang en bevat naast een compleet chemisch-farmaceutisch deel alleen een studie naar de bio-equivalentie tussen het oorspronkelijke merkproduct en het generieke middel. Bio-equivalentie betekent dat de beide middelen een gelijkwaardig bloedspiegelverloop hebben in de tijd. Werking en veiligheid zijn dan gelijk. Dierproeven of klinisch onderzoek zijn in dat geval wettelijk niet meer nodig; voor die gegevens kan de generieke fabrikant verwijzen naar het oorspronkelijke dossier. De generiekegeneesmiddelenmarkt in Nederland is sterk gegroeid: van een aandeel van 20 procent in 1994 naar inmiddels meer dan 50 procent.

Groeihormonen
Biotechnologische geneesmiddelen (biologicals) vormen een van de snelst groeiende segmenten in de farmaceutische industrie. Biologicals zijn geneesmiddelen die als actieve substantie biotechnologisch-afgeleide eiwitten bevatten. Dat wil zeggen: gemaakt door levende (genetisch gemodificeerde) cellen of organismen. Belangrijke groepen biologische geneesmiddelen zijn groeihormonen, TNFalfablokkers, interferonen, erytropoëtinen, insulinen, koloniestimulerende factoren en monoklonale antilichamen. De ontwikkeling van met name monoklonale antilichamen binnen de oncologie neemt een hoge vlucht. Ze zijn een belangrijk onderdeel geworden van het therapeutisch arsenaal. De verwachting is dat in 2010 deze dure biofarmaceutische producten 25 procent van de farmaceutische omzet en 50 procent van alle nieuwe toepassingen zullen omvatten. Kopieën - en dus goedkopere versies - van deze biologische geneesmiddelen worden wel biosimilars genoemd. Omnitrope, een biotechnologisch geproduceerd groeihormoon, gemaakt door Sandoz, was in 2006 de eerste geregistreerde biosimilar op de Europese markt. Het referentieproduct was Genotropin (Pfizer). Inmiddels zijn ook de eerste drie biosimilars van erytropoëtine (epoëtine) in 2007 geregistreerd en de verwachting is dat vele andere biosimilars zullen volgen.

Levende systemen
Biosimilars zijn niet vergelijkbaar met traditionele generieke geneesmiddelen. De Europese registratieautoriteit EMEA beschouwt ze als een opzichzelfstaande groep nieuwe producten (similar biological medicinal products). Biosimilars kennen dezelfde aandachtspunten wat betreft de kwaliteit als biologicals. Kenmerkend is het complexe productieproces van deze geneesmiddelen in levende systemen (gemodificeerde cellijnen of organismen) waardoor in theorie variaties in de actieve stof kunnen ontstaan. Dit zou aanzienlijke verschillen kunnen opleveren die consequenties hebben voor kwaliteit, werking en bijwerkingen. Vandaar dat additionele eisen worden gesteld aan de vergelijkbaarheid van kopie en referentieproduct. Dit vereiste vergelijkingsproces wordt ook wel comparability exercise genoemd. Dit moet in de eerste plaats vanuit chemisch-farmaceutisch oogpunt gebeuren, wat met hedendaagse technieken goed mogelijk is. Daarnaast moet vergelijkbaarheid met behulp van dierfarmacologisch en klinisch onderzoek worden aangetoond. Dezelfde dosis moet eenzelfde klinische werkzaamheid hebben, maar dit hoeft niet voor alle indicaties te worden aangetoond. Voldoende is dit te doen voor de meest gevoelige indicatie of klinische test. Hiervoor is specifiek onderzoek nodig dat het kleinste verschil in effectiviteit ook daadwerkelijk aantoont. Dit is afhankelijk van het product. Voor groeihormoon (GH) moet die gelijke effectiviteit worden aangetoond bij naïeve GH-deficiënte jonge kinderen. Indien de werkzaamheid voor andere indicaties op hetzelfde werkingsmechanisme is gebaseerd, kunnen ook de andere indicaties worden geaccepteerd.

Bijwerkingen
Aan het registratiedossier voor een biosimilar worden dus veel meer eisen gesteld dan aan een dossier voor een generiek geneesmiddel. De EMEA heeft naast algemene richtlijnen voor biologicals ook productgroepspecifieke richtsnoeren vastgesteld. Net als voor andere biologicals gelden voor biosimilars strenge eisen wat betreft de veiligheid van het nieuwe product in relatie tot het originele product, waarvan het veiligheidsprofiel bekend is. Er moet worden gekeken of er onverwachte bijwerkingen zijn of dat er een verschil is in de frequentie van veelvoorkomende bijwerkingen. Naast de herkomst van de actieve stof kunnen hulpstoffen en conserveringsmiddelen van invloed zijn op het eindproduct. Er is speciale aandacht voor eventuele immunogeniciteit. Alle biologische geneesmiddelen hebben een risico op het ontwikkelen van specifieke antilichamen. Uiteraard mag dit bij een biosimilar beslist niet hoger zijn dan bij het originele product. Ook al zijn de resultaten tot nu toe geruststellend, toch worden nog nadere eisen gesteld om dit verder te bevestigen na registratie. Soms worden er beperkingen aan het gebruik gesteld. De epoëtinebevattende biosimilars zijn uitsluitend goedgekeurd voor intraveneus gebruik. Er waren onvoldoende gegevens over de veiligheid bij subcutane toediening. Het is bekend dat subcutane toediening in het algemeen een groter risico op ontwikkeling van antilichamen kent, vandaar de beperking.

Uitwisselbaar
Als een biosimilar door de EMEA is geregistreerd, kunnen we ervan uitgaan dat een biosimilar ten minste net zo veilig, effectief en van een vergelijkbare kwaliteit is als het originele product. Desalniettemin is er na introductie op de markt wel een verschil in ervaring tussen de beide producten. Hoe zal de biosimilar zich feitelijk gedragen als deze wordt toegepast bij grote groepen patiënten, bijvoorbeeld wat betreft zeldzame bijwerkingen en eventuele immunogeniciteit. In principe geldt dezelfde zorg voor originele biologicals. Immers ook deze originele producten ondergaan wijzingen in het productieproces die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid. Het optreden van pure red cell aplasia (PRCA) bij Eprex, jaren nadat het op de markt kwam, is daarvan een voorbeeld. Vandaar dat de EMEA van de fabrikant een pharmacovigilanceprogramma (geneesmiddelbewaking) eist na registratie. Net zoals dat gebeurt bij andere biologische geneesmiddelen moeten patiënten die met een biosimilar worden behandeld, intensief worden gevolgd. Biosimilars zijn dus therapeutisch gelijkwaardig en derhalve uitwisselbaar. Substitutie is iets anders en speelt veelal op het niveau van de (ziekenhuis)apotheek. Voor biosimilars mag dit naar onze mening alleen in overleg met de behandelend arts. Goede samenwerking tussen arts, apotheker en patiënt is hierbij een voorwaarde. Als er toch bijwerkingen optreden, dan is het van groot belang dat duidelijk is welk preparaat en uit welke batch de patiënt een middel heeft gebruikt. Bij het gebruik van groeihormoonpreparaten speelt naast de keuze voor een bepaald groeihormoon ook de keuze van de patiënt voor een bepaald toedieningsysteem (pen voor dagelijkse subcutane injectie) gekoppeld aan een specifiek groeihormoonpreparaat een rol. Dit aspect moet worden meegewogen bij substitutie.

Database
Er is eigenlijk geen reden om terughoudend te zijn met het gebruik van biosimilars. Biosimilars zijn bij registratie even effectief en veilig als het originele referentieproduct. Echter elk nieuw biotechnologisch middel (dus ook een biosimilar) herbergt potentieel onbekende risico's. Zeer kleine verschillen in effecten op lange termijn en zeldzame bijwerkingen tussen biosimilar en origineel product kunnen alleen worden opgespoord door middel van langdurige follow-uponderzoeken bij grote groepen patiënten. Alle partijen die zijn betrokken bij biosimilars zouden moeten investeren in de opbouw van een breed beschikbare database met veiligheidsgegevens.

Samenvatting
- Biosimilars zijn kopieën en goedkope versies van biotechnologische geneesmiddelen (biologicals).
- Deze eiwitten kenmerken zich door een complexe structuur en dito productieproces. Vandaar dat in het registratiedossier additionele eisen worden gesteld aan de vergelijkbaarheid van kopie en referentieproduct.
-  Bij registratie echter zijn biosimilars even effectief en veilig, en dus uitwisselbaar.
- Substitutie dient alleen in overleg met de arts plaats te vinden.

Auteurs
dr. Anton Franken, internist Isala klinieken, lid College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG)
dr. Frits Lekkerkerker, oud-voorzitter CBG, oud-lid werkgroep biosimilars European Medicines Agency (EMEA)

Correspondentieadres: a.a.m.franken@isala.nl;
c.c.: redactie@medischcontact.nl
Geen belangenverstrengeling gemeld.


23 januari 2009, Pharmaceutisch Weekblad, Jaargang 144 Nr 4
PW Wetenschappelijk Platform. 2009;3(1):2-3 

Generieke geneesmiddelensubstitutie en therapietrouw

B.L.G. van Wijk ab* en A. de Boer c
 
a Epidemioloog/postdoctoraal onderzoeker, Afdeling Farmaco-epidemiologie & Farmacotherapie, Universiteit Utrecht.
b Openbaar apotheker, Apotheek Oudenbosch.
c Arts/epidemioloog/klinisch farmacoloog, hoogleraar farmacotherapie, Afdeling Farmaco-epidemiologie & Farmacotherapie, Universiteit Utrecht.
* Correspondentie: b.l.g.vanwijk@uu.nl. 

Kernpunten
• Het gebruik van generieke geneesmiddelen kent ten minste drie mogelijke bezwaren: bio-inequivalentie, overdosering door verwarring en verminderde therapietrouw.
• Bio-inequivalentie speelt met name een rol bij geneesmiddelen met een smalle therapeutische marge.
• Over overdosering door verwarring is geen literatuur beschikbaar.
• Er zijn twee studies beschikbaar waarin het effect van het gebruik van generieke geneesmiddelen op therapietrouw beschreven wordt; er zijn geen aanwijzingen voor een negatief effect. 

D
e generieke geneesmiddelenmarkt groeit sterk. In 2004 was de wereldwijde omzet $ 58 miljard en voor 2009 is de verwachting dat de omzet zal groeien tot ongeveer $ 94 miljard [1]. De gemiddelde generiekesubstitutiegraad in Nederland is 85% [1]. Dit betekent dat generieke geneesmiddelen meer dan de helft (51%) van het totale volume aan geneesmiddelen uitmaken. Daar staat tegenover dat generieke geneesmiddelen verantwoordelijk zijn voor slechts 19% van de totale kosten aan geneesmiddelen [2]. Maar naast het economische voordeel kleven mogelijk bezwaren aan het gebruik van generieke geneesmiddelen. Dit commentaar heeft tot doel de huidige kennis omtrent de mogelijke bezwaren van generieke substitutie te bespreken, met de meeste aandacht voor de gevolgen voor de therapietrouw. Therapeutische substitutie valt buiten het bestek van dit artikel. 

Bio-equivalentie
Het eerste bezwaar betreft bio-equivalentie of beter bio-inequivalentie. Dit aspect komt terug in de definitie van een generiek geneesmiddel van de World Health Organization: “A generic drug is a pharmaceutical product, usually intended to be interchangeable with an innovator product, that is manufactured without a license from the innovator company and marketed after the expiry date of the patent or other exclusive rights” [3]. Het cursieve gedeelte van de definitie refereert aan het concept van bio-equivalentie. Met bio-equivalentie wordt bedoeld dat als twee farmaceutisch equivalente producten overeenkomende plasmaconcentratie–tijdprofielen hebben, er geen reden is te veronderstellen dat vervanging van het ene product door het andere tot een verschil in werkzaamheid en veiligheid kan leiden, onafhankelijk van de hulpstoffen. Hoewel dit concept logisch lijkt, erkent bijvoorbeeld de Australian Medical Association het pas sinds 2003 [4]. Voor ons betoog gaan we ervan uit dat het concept zinvol is. Generieke middelen die ten opzichte van het merkpreparaat een afwijkend plasmaconcentratie–tijdprofiel hebben, worden niet geregistreerd. Voor de registratie van generieke geneesmiddelen hanteert het European Medicines Agency of het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen dat de uitersten (niet het gemiddelde!) van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van de area under the curve (AUC) en de maximale plasmaconcentratie (Cmax) niet buiten 80-125% van de AUC en Cmax van het spécialité mogen liggen. Deze ruime grenzen kunnen op individueel niveau toch aanleiding geven voor therapeutische verschillen tussen geneesmiddelen, waardoor substitutie bij gebruikers van merkgeneesmiddelen tot problemen zou kunnen leiden. Deze verschillen zijn met name van belang bij geneesmiddelen met een smalle therapeutische marge. De KNMP geeft in haar Handleiding Geneesmiddelensubstitutie aan bij welke geneesmiddelen hiervan sprake is en waarbij dus voorzichtigheid geboden is [5]. Voorbeelden zijn fenprocoumon en digoxine. De literatuur hierover is beperkt tot casuïstiek. 

Overdosis door verwarring
Het tweede bezwaar van het gebruik van generieke geneesmiddelen is het probleem van verwarring die tot overdosering kan leiden. Als de apotheek een generiek geneesmiddel aflevert, zou de patiënt kunnen denken dat hij dit geneesmiddel moet gebruiken samen met het merkgeneesmiddel dat hij nog thuis heeft. Een dosisverdubbeling is het gevolg. Over dit probleem is helaas geen literatuur beschikbaar. Daarnaast lijkt het relatief eenvoudig aan een patiënt uit te leggen dat het nieuwe generieke geneesmiddel een vervanging is van het merkgeneesmiddel dat de patiënt nog steeds thuis heeft, en dat hij het merkgeneesmiddel eerst moet opmaken voor hij met het generieke geneesmiddel kan beginnen. 

Verminderde therapietrouw
Het derde bezwaar is de mogelijkheid dat de therapietrouw vermindert door prescriptie en gebruik van generieke geneesmiddelen. De belangrijkste oorzaak hiervan zijn zorgen over samenstelling en kwaliteit. De verpakking van generieke geneesmiddelen ziet er meestal eenvoudig uit en de toedieningsvorm kan andere hulpstoffen bevatten. Het negatieve beeld kan ontstaan dat het om ‘namaak’-geneesmiddelen gaat. Ook weten sommige patiënten dat India en China generieke geneesmiddelen produceren. China is de laatste tijd regelmatig in het nieuws geweest vanwege imitaties van producten (waaronder geneesmiddelen) met onvoldoende kwaliteit. Daarnaast kan – indien de merknaam voorgeschreven is – de naam van het afgeleverde geneesmiddel verschillen van de naam van het geneesmiddel op het recept. Van artsen is bekend dat zij voornamelijk de namen van merkgeneesmiddelen in de pen hebben [6]. In de literatuur zijn slechts twee studies terug te vinden waarin de invloed van generieke substitutie op de therapietrouw van patiënten onderzocht is. Het doel van de eerste studie was ondermeer te onderzoeken of de therapietrouw gedurende het eerste jaar na de start van een chronische behandeling met merkgeneesmiddelen hoger was dan met de overeenkomstige generieke geneesmiddelen [7]. Uit dit onderzoek bleek dat de gemiddelde therapietrouw van patiënten die startten met generieke geneesmiddelen, 2,0% hoger was dan die van patiënten die startten met merkgeneesmiddelen, ook na correctie voor bijbetaling. De conclusie was dat de therapietrouw met generieke geneesmiddelen in ieder geval niet slechter was dan therapietrouw met merkgeneesmiddelen. De tweede studie is een Nederlands onderzoek naar het effect van generieke substitutie op de therapietrouw van gebruikers van merknaam-antihypertensiva [8]. Uit dit onderzoek bleek dat na substitutie de therapietrouw ongeveer gelijk bleef bij de 463 patiënten in de substitutiegroep (van 91,6% tot 92,4%), bij de 565 patiënten in de niet-substitutiegroep daalde deze iets (van 92,1% tot 90,0%), wat tot een significant verschil leidde (p <0,05). In beide groepen stopte geen van de patiënten volledig met de antihypertensiva, ook was er geen verschil is het percentage ziekenhuisopnames voor cardiovasculaire ziekten te zien in de eerste zes maanden na substitutie: 6 patiënten in de substitutiegroep en 8 in de niet-substitutiegroep (1,3% in beide groepen). Hoewel uit deze gegevens niet moet worden geconcludeerd dat de therapietrouw verbetert na substitutie, geldt ook hier dat de therapietrouw na generieke substitutie in ieder geval niet verslechtert. 

Conclusie
De conclusie is dat voor een negatieve invloed van generieke geneesmiddelensubstitutie op de therapietrouw van patiënten of de therapeutische effecten geen aanwijzingen zijn. De genoemde onderzoeken waren gericht op geneesmiddelen voor hart- en vaatziekten. Meer onderzoek is nodig om vast te stellen in hoeverre de beschreven resultaten ook gelden voor patiënten met andere aandoeningen, met name psychiatrische. Om de generiekesubstitutiegraad hoog te houden en zo te blijven profiteren van de kostenbesparing, blijft generiek voorschrijven en patiënten adequaat voorlichten over substitutie van belang. Dit onderzoek is uitgevoerd op verzoek van het Deense Institute for Rational Pharmacotherapy in Kopenhagen. De resultaten zijn gepresenteerd op een symposium van genoemd instituut. Het artikel is geschreven na afloop van het symposium en is gesponsord door Bogin, de koepelorganisatie van producenten van generieke geneesmiddelen. De sponsor heeft geen mogelijkheid gehad tot inzage of revisie van het artikel voorafgaand aan de publicatie. BLGvW is openbaar apotheker en heeft belang bij positief nieuws over de effecten van generiek geneesmiddelengebruik.  

Literatuur
1 Opportunity for India in the World Generics Market. http://pharmalicensing.com/articles/disp/1144147543_44324e57b031f.
2 Sprekende cijfers. http://www.bogin.nl/sprekendecijfers.
3 http://www.who.int/trade/glossary/story034/en/index.html.
4 Cohen MR. Trade name, INNs, and medication errors. Arch Intern Med2002;162(22):2636.
5 Handleiding Geneesmiddelensubstitutie. De Haag: Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie; 2006.
6 Steinman MA, Chren MM, Landefeld CS. What’s in a name? Use of brandversus generic drug names in United States outpatient practice. J Gen InternMed 2007;22(5):645-8.
7 Shrank WH, Hoang T, Ettner SL, et al. The implications of choice: prescribinggeneric or preferred pharmaceuticals improves medication adherence forchronic conditions. Arch Intern Med 2006;166(3):332-7.
8 Van Wijk BL, Klungel OH, Heerdink ER, et al. Generic substitution ofantihypertensive drugs: does it affect adherence? Ann Pharmacother2006;40(1):15-20. 

Abstract
Generic substitution and therapy adherence
Generic substitution is an important instrument to decrease the costs of pharmaceuticals. The aim of this comment is to describe potential concerns of generic substitution: the absence of bioequivalence, confusion leading to overdose, and non-adherence. In this paper, the focus is placed on the consequences for adherence. Two studies were identified that studied the association between generic substitution and adherence. A study from the USA demonstrated that there is no substantial difference in adherence between patients that initiate chronic treatment with generic drugs compared to brand drugs. A Dutch study showed that there is no difference in adherence between substituted and non-substituted users of brand antihypertensive drugs. In addition, there were no differences in cardiovascular hospitalizations. Although more research is needed, it seems justified to conclude that there is currently no evidence that the use of generic drugs leads to a decrease in adherence or an increase in hospitalizations. Thus, with adequate patient education, generic substitution remains an important instrument to decrease the costs of pharmaceutical care. 

15 januari 2009, Pharmaceutisch Weekblad, Jaargang 144 Nr 3

Nieuwe ronde, nieuwe labels

De nieuwe ronde van het preferentiebeleid zal in 2009 leiden tot een extra prijsdaling van ongeveer € 7,5 miljoen op jaarbasis. Apothekers moeten er voor het eerst rekening mee houden dat het preferente label nu per zorgverzekeraar kan verschillen.

Sinds juli 2005 doet een aantal zorgverzekeraars mee aan het gezamenlijk preferentiebeleid voor de geneesmiddelen simvastatine, pravastatine en omeprazol. Deelnemende verzekeraars wijzen onder regie van Zorgverzekeraars Nederland één keer per half jaar de varianten van deze geneesmiddelen aan die voor vergoeding in aanmerking komen. Op dit moment neemt een elftal zorgverzekeraars deel aan dit gezamenlijke preferentiebeleid.
Naast het gezamenlijke preferentiebeleid zijn een aantal zorgverzekeraars op 1 juli 2008 gestart met individueel preferentiebeleid. Omdat deze twee soorten beleid oorspronkelijk onderling te weinig verschilden, hebben mededingingsoverwegingen de rechter doen besluiten dat zorgverzekeraars uitsluitend gezamenlijke afspraken mogen maken over geneesmiddelen met bovengenoemde werkzame stoffen. Daarop zijn zorgverzekeraars gekomen met individueel preferentiebeleid dat niet alleen onderscheidend is in de samenstelling van de lijst met preferente middelen, maar ook in de termijn van aanwijzing van de middelen.

Nieuwe aanwijzingen
De termijn van het gezamenlijke preferentiebeleid liep af per 1 januari 2009. Op basis van de decemberprijzen in de G-Standaard van Z-Index hebben de aan het gezamenlijk preferentiebeleid deelnemende zorgverzekeraars nieuwe preferente leveranciers aangewezen voor simvastatine, pravastatine en omeprazol. Daarnaast hebben de zorgverzekeraars Agis en CZ (inclusief OHRA en Delta Lloyd) per 1 januari nieuwe preferente geneesmiddelen aangewezen voor hun individuele preferentiebeleid. De prijsverlagingen die de leveranciers in deze ronde van het preferentiebeleid hebben doorgevoerd om in de gunst van de zorgverzekeraars te komen, lopen uiteen van 2% tot 55%. Het gewogen gemiddelde laagste prijsniveau is in december voor de betrokken middelen 28% lager dan de maand daarvoor. Dit zijn weliswaar forse percentages, maar doordat de prijzen in juni en juli 2008 al zo scherp daalden, is de impact in absolute zin beperkt. Op jaarbasis zou de prijsdaling in deze ronde resulteren in een bedrag van maximaal €11 miljoen, terwijl het in juli om een bedrag van ruim € 350 miljoen ging. Als alle leveranciers de prijsdalingen volgen, profiteren ook alle verzekeraars van de prijsverlagingen in deze ronde van het preferentiebeleid, ook als ze dit beleid niet voeren. Dit is een doorn in het oog van de Tweede Kamer, die vlak voor het kerstreces de minister van VWS heeft verzocht om maatregelen te nemen waardoor een zorgverzekeraar die preferentiebeleid initieert daadwerkelijk een financieel concurrentievoordeel heeft ten opzichte van de verzekeraars die geen of ander preferentiebeleid voeren. Overigens volgden maar weinig leveranciers in januari de prijsverlagingen van december. Daardoor het er naar uit ziet dat de prijsdaling op jaarbasis eerder op € 7,5 miljoen dan op € 11 miljoen zal uitkomen.

Nieuwe toetreder
Uit de prijzenslag van juni 2008 kwamen vooral Ratiopharm en Centrafarm als preferente leveranciers naar voren. In december 2008 stonden er weer andere leveranciers op. Nu zijn met name Actavis, Accord Healthcare en Mylan (voorheen Merck Generics) als preferente leverancier aangewezen. Vooral de naam van Accord Healthcare valt hierin op. Deze eveneens in India gevestigde concurrent van Ranbaxy, is nog maar sinds december 2008 op de Nederlandse markt actief en is gezien de aanwijzing van de verzekeraars kennelijk in staat om de hele markt te kunnen voorzien.

Meerdere labels preferent
Groot verschil met de aanwijzing per 1 juli 2008 is dat er per zorgverzekeraar een andere label preferent kan zijn. Dit is het gevolg van verschil in aanwijzingsduur binnen het individuele preferentiebeleid. De ingangsdatum van het preferentiebeleid was per verzekeraar weliswaar gelijk maar de aanwijzingsperiode verschilt. CZ en Agis hanteerden een termijn van een half jaar, terwijl de aanwijzing van UVIT (Univé, VGZ, IZA en Trias) tot 1 april 2009 loopt en die van Menzis tot 1 juli 2009. Het individuele preferentiebeleid van CZ en Agis levert deze verzekeraars op jaarbasis € 1 miljoen op. Voor de apotheek is het voorraadbeheer echter weer complexer geworden. Zo zijn CZ-verzekerden bij amlodipinetabletten van 5 milligram aangewezen op leverancier Centrafarm, terwijl VGZ-verzekerden deze tabletten alleen maar van leverancier Ratiofarm vergoed krijgen.

Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen

Dit is een publicatie van de Stichting Farmaceutische Kengetallen.
Overname van tekst, gegevens, tabellen of grafieken is toegestaan mits onder volledige bronvermelding.

Brussel, 28 november 2008

Antitrust: Tussenverslag onderzoek farmasector brengt
kostprijs vertragingstactieken farmabedrijven in beeld


De Europese Commissie heeft het tussenverslag gepubliceerd van haar onderzoek naar concurrentie in de farmasector. Daaruit blijkt dat de concurrentie in deze sector niet naar behoren functioneert. Volgens de eerste bevindingen zijn er bewijzen dat originator-ondernemingen zich begeven aan praktijken die de markttoetreding van concurrerende geneesmiddelen moeten vertragen of afblokken. Tegen generieke ondernemingen worden praktijken ingezet zoals meervoudige octrooiaanvragen voor hetzelfde geneesmiddel (zgn. octrooiclusters), het aanspannen van processen en andere geschillen, het sluiten van schikkingen over octrooigeschillen (die marktoetreding van generieke middelen beperken), en interventies bij nationale autoriteiten wanneer generieke ondernemingen geneesmiddelen willen laten registreren. Wanneer deze praktijken slagen, leveren zij aanzienlijke extra kosten op voor nationale gezondheidsbegrotingen – en uiteindelijk de belastingbetalers en de patiënten - en nemen de prikkels om te innoveren af. Het verslag is gebaseerd op een steekproef van geneesmiddelen waarvan in de periode 2000-2007 de exclusiviteit zou gaan aflopen. Naar raming had voor die steekproef in deze periode rond 3 miljard EUR extra kunnen worden bespaard indien generieke geneesmiddelen zonder vertraging op de markt waren gekomen. Voorts concludeert het verslag dat ondernemingen defensieve octrooistrategieën hanteerden, met als voornaamste doel concurrenten te blokkeren bij de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen. 

EU-Commissaris voor Concurrentie Neelie Kroes: "Concurrentie op de markt voor farmaceutische producten is van vitaal belang om de mensen betaalbare en innoverende geneesmiddelen te geven en om ervoor te zorgen dat belastingbetalers in de gezondheidszorg waar voor hun geld krijgen. Deze eerste resultaten laten zien dat markttoetreding van generieke ondernemingen en de ontwikkeling van nieuwe en beter betaalbare geneesmiddelen soms wordt afgeblokt of vertraagd, met forse kosten voor de gezondheidszorg, de consumenten en de belastingbetalers tot gevolg. We hebben nu een klare kijk op wat er gebeurt en waarom: in een volgende stap bespreken we onze bevindingen met de stakeholders en trekken dan de nodige conclusies. Het is wellicht nog wat vroeg, maar de Commissie zal niet aarzelen om tegen bedrijven antitrustzaken te beginnen, wanneer er aanwijzingen zijn dat de concurrentieregels zijn overtreden."
 

Markttoetreding vertraagd of afgeblokt
Het tussenverslag laat zien dat orginator-ondernemingen (die nieuwe geneesmiddelen ontwikkelen en verkopen) uiteenlopende methoden gebruiken om de markttoetreding van generieke ondernemingen (ondernemingen die, nadat het octrooi is vervallen, geneesmiddelen verkopen die gelijkwaardig zijn met de oorspronkelijke geneesmiddelen) en van andere originator-ondernemingen te vertragen of af te blokken - en zo hoge inkomstenstromen voor de originatorondernemingen te handhaven. In de documenten die de Commissie tijdens het sectorale onderzoek aantrof, stonden dingen te lezen als (vert.):
- "We bekijken opties om octrooien aan te vragen of te verkrijgen met als enige doel de manoeuvreerruimte van onze concurrenten te beperken (...) Rechten voor concurrerende alternatieven worden op belangrijke markten gehandhaafd totdat het risico dat concurrerende producten opduiken minimaal is."
- "Ik denk dat we met z'n allen wel al eens gesprekken hebben gehad over 'hoe kunnen we producenten van generieken afblokkenen'. (…) Neem geen risico's door te laat een octrooi aan te vragen voor nieuwe zoutvormen, want de generieken zijn er steeds vroeger bij. Kom (…) met claims voor cruciale tussenproducten die een aantal routes kunnen afsluiten. Octrooiprocessen zijn niet de grootste rem, maar kunnen generieken wel ontmoedigen in het geval van chemische producten van superieure kwaliteit."
- "Kwesties van onderlinge uitwisselbaarheid zijn (in diverse landen) gebruikt om erosie door generieken te beperken. (…) Resultaat: 61 miljoen USD extra (…) omzet ten opzichte van de verwachte erosie door generieken." Dit tussenverslag brengt meerdere, uiteenlopende specifieke vertragingstactieken in beeld, waaronder de volgende die tegen generieke bedrijven zijn gericht:
- originator-bedrijven dienen zogenaamde "octrooiclusters" in - een groot aantal octrooien voor de hele EU (in één geval 1.300) die worden ingediend voor één geneesmiddel;
- ook werden er bijna 700 gevallen van octrooiprocessen met generieke ondernemingen gemeld, die gemiddeld bijna drie jaar duurden. Uiteindelijk hebben de generieke ondernemingen meer dan 60% van deze zaken gewonnen;
- daarnaast sloten originatorondernemingen meer dan 200 schikkingsovereenkomsten met generieke ondernemingen in de EU, waarbij zij afspraken maakten over de voorwaarden om lopende processen of geschillen stop te zetten. Meer dan 10% van de schikkingen waren zogenaamde "omgekeerde betaling"-schikkingen, die de markttoetreding voor de generieke geneesmiddelen beperken en waarbij de originator-ondernemingen in ruil betalingen doen aan de generieke ondernemingen. Deze betalingen liepen in totaal op tot meer dan 200 miljoen EUR;
- originator-ondernemingen zijn in een aanzienlijk aantal gevallen partij bij nationale procedures voor de registratie van generieke geneesmiddelen, wat voor generieke geneesmiddelen leidde tot een vertraging van gemiddeld vier maanden. 

Dit soort praktijken heeft zware gevolgen voor de patiënten en de belastingbetalers, want wanneer generieken op de markt komen, gaan de prijzen voor geneesmiddelen daardoor sterk dalen. Op basis van een steekproef van geneesmiddelen die in de periode 2000-2007 te maken kregen met toetreding van generieken, bleek het gemiddelde prijspeil voor geneesmiddelen met bijna 20% te zijn gedaald in het eerste jaar na de toetreding van het generieke middel. In enkele zeldzame gevallen liep deze prijsdaling op tot wel 90%. Voor de onderzochte steekproef leverde de toetreding van generieke middelen in de onderzochte periode een besparing van ten minste 14 miljard EUR op. Zonder die besparingen zouden de totale uitgaven voor de onderzochte geneesmiddelen meer dan 25% hoger zijn geweest. 
 

Het sectorale onderzoek bevestigt dat toetreding van generieke middelen vaak later dan verwacht plaatsvindt. Voor generieke producten duurde het, op basis van een gewogen gemiddelde, zo'n zeven maanden om de markt te betreden en zelfs de best verkopende geneesmiddelen keken aan tegen een vertraging van gemiddeld vier maanden. Gezien de sterke impact van toetreding van generieke middelen betekent dit dat de gezondheidszorg in de 17 lidstaten uit de steekproef over de periode 2000-2007 zo'n 3 miljard EUR besparingen is misgelopen voor de geselecteerde geneesmiddelen die hun octrooi gingen verliezen. In relatieve termen had de rekening voor deze geneesmiddelen meer dan 5% lager kunnen uitvallen. De eerste bevindingen wijzen er op dat de onderzochte praktijken een rol hebben gespeeld bij deze tekortkomingen. Het tussenverslag vond voorts bewijzen dat originator-ondernemingen ook defensieve octrooistrategieën hanteren om zich af te schermen tegen concurrentie van andere originator-ondernemingen. Dit kan innovatie fnuiken, de kosten voor concurrerende farmabedrijven doen stijgen en betekent dat de consumenten pas later over innoverende geneesmiddelen kunnen beschikken.
Stakeholders hebben ook heel wat opmerkingen gemaakt over het reguleringskader. Met name hebben zowel generieke als originator-ondernemingen een oproep gedaan voor één communautair octrooi en de oprichting van een eengemaakte en gespecialiseerde octrooirechtbank in Europa. Deze oproepen vonden bevestiging in de eerste uitkomsten van het sectorale onderzoek, dat liet zien dat in 11% van de zaken eindvonnissen onderling tegenstrijdig zijn en dat de totale rechtstreekse kosten van octrooigeschillen 420 miljoen EUR beliepen. Dergelijke tegenstrijdigheden en de proceskosten hadden kunnen worden vermeden (of tot het strikte minimum kunnen worden beperkt), indien er één EU-octrooi en een eengemaakte, gespecialiseerde octrooirechtbank was geweest. 

Achtergrond
Het sectorale onderzoek ging in januari 2008 van start (zie IP/08/49 en MEMO/08/20) om te onderzoeken waarom er minder nieuwe geneesmiddelen op de markt komen en waarom toetreding van generieke middelen in een aantal gevallen leek te worden vertraagd. Tijdens een sectoraal onderzoek verzamelt de Commissie informatie die haar een grondig inzicht in bepaalde markten moet geven, om zo obstakels voor de vrije mededinging beter te kunnen opsporen. In wezen is het zo dat de Commissie een sectoraal onderzoek begint wanneer zij vreest dat de mededinging niet naar behoren functioneert, maar dat niet duidelijk is waarom dat zo is. 

De volgende stappen
De eerste bevindingen van het sectorale onderzoek worden op 28 november 2008 tijdens een openbare hoorzitting aan de stakeholders gepresenteerd. Vooraleer definitieve conclusies te trekken, doet de Commissie een oproep aan alle stakeholders om hun standpunten en opmerkingen over de eerste bevindingen in te dienen. De publieke raadpleging loopt tot 31 januari 2009. In Het eindverslag al opmerkingen meenemen die tijdens de openbare raadpleging zijn ontvangen. Dit verslag wordt voorjaar 2009 verwacht.  Voor meer informatie, zie ook MEMO/08/746Het tussenverslag en meer informatie over het sectorale onderzoek in defarmasector komt beschikbaar onder:http://ec.europa.eu/comm/competition/sectors/pharmaceuticals/inquiry/index.html 

28 augustus 2008, Pharmaceutisch Weekblad, Jaargang 143 Nr 35

Nog geen marktverschuivingen

Zonder grote verschuivingen in de marktverhoudingen tussen de verschillende leveranciers, leidde de prijzenslag in juni rond generieke geneesmiddelen in diezelfde maand tot een prijsdaling van bijna 30%. In juli zal dit effect verder doorzetten. Als gevolg van het preferentiebeleid bij zorgverzekeraars vond dit jaar een prijzenslag tussen generieke leveranciers plaats. De prijs van sommige geneesmiddelen daalde in juni zelfs met meer dan 90%. Niet alle leveranciers gingen even diep. Hierdoor ontstonden aanvankelijk aanzienlijke prijsverschillen en wees de zorgverzekeraar per preferent geneesmiddel in de meeste gevallen één enkele leverancier aan.

Preferentieslag

De SFK bepaalt de ontwikkeling van het prijspeil door maandelijks op artikelniveau de kosten van de in totaal verstrekte hoeveelheid geneesmiddelen te vergelijken met de kosten van dezelfde hoeveelheid tegen de prijzen van de volgende maand. Op basis van deze methodiek werd in juni een prijsdaling van bijna 30% verwacht. Bij hantering van dezelfde methodiek, maar dan terugkijkend, blijkt uit de SFK-cijfers over de in juni afgeleverde geneesmiddelen de prijsdaling eveneens op bijna 30% uit te komen. Dit wijst erop dat er in juni nog geen grote verschuivingen optraden in de aandelen van de leveranciers in de hoeveelheid verstrekte generieke geneesmiddelen. Medio juni wezen zorgverzekeraars de preferente geneesmiddelen aan. Op grond hiervan mag worden verwacht dat het marktaandeel van met name Ratiopharm en Centrafarm vanaf juli aanzienlijk toe zal nemen. In juni bleek dit nog niet het geval. De marktaandelen van van deze 'winnaars' van de preferentieslag, namen slechts beperkt toe. Onzekerheid over de inkoopcondities voor de preferente middelen is waarschijnlijk de verklaring voor de geringe verschuivingen in juni in de richting van de winnende labels. Groothandels reageerden op de prijsdalingen door apotheken voor de sterk in prijs gedaalde geneesmiddelen een distributiefee in rekening te brengen of dreigden een deel van deze producten uit hun assortiment te halen. Twee leveranciers die in juni nauwelijks prijsverlagingen hadden doorgevoerd en dus de preferentieboot hadden gemist, deden apotheken het voorstel de effecten van de prijsverlagingen voor zich uit te schuiven door patiënten voor de maximaal toegestane periode van drie maanden een niet in prijs verlaagd middel te verstrekken. De actie was geen succes. Het marktaandeel van de betreffende leveranciers bleef in juni gelijk.

Bijsluiteffect

Behalve een preferentiebeleid voeren, maken zorgverzekeraars en apothekers afspraken over het uitsluitend mogen declareren van de laaggeprijsde geneesmiddelen. Daarbij wordt een bandbreedte gehanteerd waarbij apotheken geen geneesmiddelen mogen verstrekken waarvan de prijs meer dan 3 of 5% hoger is dan het laagst geprijsde vergelijkbare geneesmiddel. Een soortgelijke afspraak is de zogenaamde laagste prijsgarantie. Volgens deze afspraak is de apotheker vrij in de keuze van het label, maar brengt hij maximaal de prijs van het laagst geprijsde geneesmiddel in rekening. De verschillende bandbreedteafspraken zorgen ervoor dat de prijzen nivelleren in de richting van het laagste prijsniveau. Dit bijsluiteffect bleek voor het eerst uit de taxeprijzen in juli. Leveranciers van niet door het preferentiebeleid aangewezen geneesmiddelen verlaagden hun prijzen om binnen de bandbreedteafspraken te komen en op deze wijze de vergoedingstatus bij de zorgverzekeraars die geen preferentiebeleid voeren, veilig te stellen. Uit de taxeprijzen voor augustus blijkt dit bijsluiteffect zich verder voort te zetten en nam de gemiddelde afstand tot het laagste prijsniveau voor generieke geneesmiddelen verder af.

Figuur 1: De prijzen van generieke geneesmiddelen daalden in een jaar bijna 60%

Ontwikkeling prijsniveau generieke receptgeneesmiddelen in de periode augustus 2007-juli 2008 (augustus 2007 = 100). Het preferentiebeleid is de belangrijkste reden voor de sterke prijsdaling.

Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen


 

26 juni 2008, Pharmaceutisch Weekblad, Jaargang 143 Nr 26

Labeltrouw apotheken hoger dan beweerd

Apothekers wisselen op eigen initiatief minder vaak van label dan door zorgverzekeraars wordt beweerd. Door het preferentiebeleid moeten de meeste gebruikers van simvastatine vanaf 1 juli voor de tweede keer in dit jaar van label wisselen. Het afgelopen jaar was dat maar bij één op de tien gebruikers het geval.

Als gevolg van de nieuwe ronde in het preferentiebeleid verwerven leveranciers van generieke geneesmiddelen tijdelijk het alleenrecht op de levering van geneesmiddelen. Dit betekent dat apothekers aan patiënten alleen een geneesmiddel van dat label mogen leveren, tenzij een ander middel medisch noodzakelijk is voor de patiënt. De meeste gebruikers van simvastatine moeten daardoor voor de tweede keer dit jaar van label wisselen. Simvastatine valt onder het gezamenlijke preferentiebeleid dat een zestal grote zorgverzekeraars onder regie van Zorgverzekeraars Nederland voert. In januari moest het merendeel van de gebruikers van simvastatine overstappen op de generieke variant van de Indiase producent Ranbaxy. Vanaf juli zal simvastatine voor de meeste gebruikers in een doosje van Actavis of Ratiopharm zitten.

Switchgedrag

Het telkens moeten wisselen van label is een bezwaar dat apothekers tegen het preferentiebeleid hebben. De afgelopen tijd verschenen er echter diverse berichten in de media dat apothekers het vóór de invoering van het preferentiebeleid zelf ook niet zo nauw namen met hun eigen labelvastheid. Tijdens het Farma Congres 2008 zei kamerlid Eelke van der Veen (PvdA) dat apothekers vanwege hun kortingen en bonussen zelf tot vier keer per jaar wisselden van leverancier. Vektis – het informatiecentrum voor de zorgverzekeraars – berekende dat door toedoen van apotheken in anderhalf jaar tijd 30% van de simvastatinegebruikers van label verandert. Uit onderzoek van de SFK blijkt echter dat apotheken veel minder vaak van leveranciers wisselen dan wordt beweerd. In 2007 kreeg nog geen 8,6% van de gebruikers van simvastatine te maken met een doosje van verschillende leveranciers. Dit percentage komt iets hoger uit als het totaal aantal gebruikers wordt gecorrigeerd voor die gebruikers die slechts éénmalig simvastatine kregen voorgeschreven, namelijk op 10,2%. Daarmee is in slechts 2,3% van het aantal voorschriften sprake van een switch. Een deel van deze wisselingen in 2007 had al te maken met het preferentiebeleid voor 2008. Om voorraadverliezen te beperken leverden sommigen apothekers al in december 2007 simvastatine van Ranbaxy af. Omdat Vektis een wijziging van verpakkingsgrootte of een wijziging in de voorgeschreven sterkte ten onrechte als een labelswitch heeft aangemerkt, geven die cijfers een vertekend beeld. Bovendien strekte het onderzoek Vektis zich uit over een periode van anderhalf jaar.

Jaarwisseling

Als gevolg van contractuele afspraken met toeleveranciers van de apotheek vinden labelwisselingen relatief vaker plaatst rondom de jaarwisseling. In de periode juli 2006 tot en met juni 2007 nam het aantal gebruikers dat simvastatine van verschillende leveranciers verstrekt kreeg toe tot 23,5%. Een substantieel deel van deze labelwisselingen waren het gevolg waren van de overname van Hexal door Sandoz. De doosjes van Hexal waren na de fusie niet meer verkrijgbaar, apothekers moesten wel over. Als hiervoor wordt gecorrigeerd, blijkt dat 15,6% van de gebruikers een label wisseling heeft meegemaakt. Dit impliceert dat de gemiddelde gebruiker eens in de 6 jaar van label zou wisselen. Dit valt in het niet bij het aantal keer dat gebruikers vanwege het preferentiebeleid van label moet veranderen. Naast afspraken met leveranciers, zijn ook veranderingen in het eigendom van de apotheek en tijdelijke leveringsproblemen redenen voor apothekers om van label te switchen. Jaarlijks wisselt bijna 5% van de apotheken van eigenaar. Deze overnames vinden vooral rond de jaarwisseling plaats, waarbij de nieuwe apotheekeigenaar een voorkeur kan hebben voor een andere leverancier.

Figuur 1: Marktaandelen in voorschriften van generieke leveranciers

Ook op basis van de verdeling van het aantal voorschriften naar leverancier af te leiden dat het aantal labelwisselingen na het preferentiebeleid bij aanwijzing van een enkele leverancier hoger is dan in de periode daarvoor. Vanaf 1 juli 2008 zal het plaatje er weer volledig anders uitzien.

Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen


29 mei 2008, Pharmaceutisch Weekblad, Jaargang 143 Nr 22

Prijzenslag generieke geneesmiddelen

Als gevolg van het preferentiebeleid van zorgverzekeraars is er een ware prijzenslag ontketend onder generieke geneesmiddelenleveranciers. Per 1 juni a.s. dalen de prijzen van de belangrijkste generieke geneesmiddelen met gemiddeld 85%. In enkele gevallen worden de prijzen zelfs met meer dan 90% verlaagd. Per saldo leiden de prijsverlagingen van juni tot een kostenverlaging van € 355 miljoen op jaarbasis.

Eerder dit jaar waren de prijzen van generieke geneesmiddelen al met € 125 miljoen verlaagd als gevolg van het Transitieakkoord dat minister Klink vorig jaar sloot met de geneesmiddelensector. Medio mei hebben de generieke leveranciers hun medewerking aan het Transitieakkoord opgezegd uit onvrede over het doorzetten van het preferentiebeleid door zorgverzekeraars.

Markt op zijn kop

De landelijke “aanbesteding” van zorgverzekeraars heeft een ware prijzenslag tussen generieke geneesmiddelenleveranciers ontketend. Naar verluid hebben sommige leveranciers hun prijzen tot onder de kostprijs verlaagd om daarmee een unieke positie op de Nederlandse markt te verwerven. Als gevolg van het preferentiebeleid zien enkele generieke geneesmiddelenleveranciers hun marktaandeel drastisch slinken. Grote “winnaar” bij de generieke leveranciers – voor zover er van een winnaar gesproken kan worden – is het Duitse Ratiopharm dat bij diverse belangrijke geneesmiddelen een monopoliepositie verwerft. Dit neemt overigens niet weg dat de apotheekomzet van Ratiopharm bij de geneesmiddelen die vallen binnen het preferentiebeleid halveert (zie tabel 1). Grote verliezer is Pharmachemie waarbij de omzet daalt tot een kwart van de huidige omzet.

Tabel 1: Omzetmutatie per leverancier van geneesmiddelen binnen het preferentiebeleid, op jaarbasis


Leverancier Omzetmutatie in %
Sandoz - 69 mln. -56%
Pharmachemie - 88 mln. -77%
Ratiopharm - 22 mln. -47%
Actavis - 29 mln. -72%
Focus Farma - 32 mln. -83%
Apothecon - 12 mln. -53%
Merck Generics - 14 mln. -65%
Katwijk Farma - 10 mln. -48%
Centrafarm - 6 mln. -34%

Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen

Preferentiebeleid

Het preferentiebeleid van zorgverzekeraars houdt in, dat diverse grote zorgverzekeraars zoals UVIT, Menzis, CZ en AGIS van bepaalde veelgebruikte geneesmiddelen alleen nog de allergoedkoopste variant vergoeden.
Naast de maagzuurremmer omeprazol en de cholesterolverlagers simvastatine en pravastatine waarbij de zorgverzekeraars onder regie van Zorgverzekeraars Nederland een gezamenlijk voorkeursbeleid voeren, breiden de zorgverzekeraars per 1 juli aanstaande. hun preferentiebeleid fors uit. Geneesmiddelenfabrikanten werden uitgenodigd een nieuwe landelijke geneesmiddelenprijs af te geven die vanaf 1 juni geldt. Op grond van deze prijsopgave wijzen de zorgverzekeraars de geneesmiddelen aan die vanaf 1 juli nog vergoed worden. In de praktijk komt dit erop neer dat in de meeste gevallen alleen nog de allergoedkoopste variant vergoed wordt . In tabel 3 is een overzicht gegeven van de geneesmiddelen waar het omgaat.
Alleen als de arts van oordeel is dat er sprake is van een “medische noodzaak” krijgt de patiënt het geneesmiddel dat hij gewoon was te gebruiken nog vergoed door de zorgverzekeraar. In de andere gevallen zal de patiënt moeten overstappen op het goedkoopste label, of de kosten van het vertrouwde middel volledig uit eigen zak betalen.
Vanaf 1 juli zal het minimaal 3,4 miljoen keer voorkomen dat verzekerden moeten overstappen op een geneesmiddel van een andere fabrikant, omdat hun zorgverzekeraar alleen nog de allergoedkoopste variant vergoed.
Sommige verzekeraars, zoals Achmea en Zorg & Zekerheid voeren geen preferentiebeleid, maar hebben met apotheken afgesproken dat zij alle geneesmiddelen aan hun verzekerden mogen leveren, maar dat de apotheken slechts de prijs van de goedkoopste variant van het betreffende geneesmiddel vergoed krijgen.


Tabel 2: Top 10 van goedkoopste varianten met de meeste impact op de geneesmiddelenomzet

Geneesmiddel Leverancier AIP mei AIP juni Mutatie
1 Omeprazol tabletten/capsules 20mgRatiopharm € 0,36 € 0,05 -88%
2 Alendroninezuur tabletten 70mg Centrafarm € 4,99 € 0,36 -93%
3 Omeprazol tabletten/capsules 40mgCentrafarm € 0,65 € 0,09 -86%
4 Paroxetine tabletten 20mg Ratiopharm € 0,37 € 0,07 -82%
5 Simvastatine tabletten 40mg Actavis € 0,27 € 0,04 -84%
6 Pravastatine tabletten 40mg Focus Farma € 0,54 € 0,13 -76%
7 Simvastatine tabletten 20mg Ratiopharm/Actavis€ 0,17 € 0,03 -85%
8 Tamsulozine tabletten/capsules 0,4mg Centrafarm€ 0,34 € 0,07 -80%
9 Amlodipine tabletten 5mg Ratiopharm € 0,19 € 0,03 -85%
10 Citalopram tabletten 20mg Ratiopharm € 0,34 € 0,04 -88%

Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen

Prijseffecten stapelen zich op

Als gevolg van het Transitieakkoord waren de prijzen van generieke geneesmiddelen in de eerste maanden van dit jaar al met gemiddeld 13% verlaagd. Uitgedrukt in euro’s betreft dit een bedrag van € 125 miljoen. Vanaf 1 juni dalen de prijzen van generieke geneesmiddelen over de volle linie met nog eens € 250 miljoen. Doordat de verzekeraar alleen nog (het middel met) de laagste prijs vergoedt, komt hier nog eens € 60 miljoen aan prijsverlaging bovenop. Tenslotte heeft het preferentiebeleid ook een uitstralingseffect naar merkgeneesmiddelen wat leidt tot een extra omzetverlaging van nog eens € 45 miljoen.

Apotheek ziet inkoopvoordeel verdampen

Tot nu toe realiseren de apotheken belangrijke inkoopvoordelen bij de generieke geneesmiddelen. Deze inkoopvoordelen verdampen nu in één klap. Met de inkoopvoordelen compenseerden apotheken het tekort op de receptregelvergoeding. Mede op grond van het praktijkkostenonderzoek dat de Nederlandse Zorgautoriteit vorig jaar heeft laten uitvoeren, kan worden berekend dat het tekort op de receptregelvergoeding per apotheek uitkomt op € 160.000. Vanwege de prijzenslag bij generieke geneesmiddelen eist de KNMP, de beroepsorganisatie van apothekers, inmiddels bij minister Klink dat de receptregelvergoeding alsnog per direct wordt verhoogd tot kostendekkend niveau. Binnen het Transitieakkoord zijn hierover afspraken gemaakt. Recentelijk heeft minister Klink in de Tweede Kamer nog bevestigd dat hij in 2008 het apotheektarief zou verhogen tot kostendekkend niveau als het inkoopvoordeel voor de apotheek verdwijnt.


Tabel 3: Omzetmutatie per werkzame stof van geneesmiddelen binnen het preferentiebeleid, op jaarbasis

Werkzame stof Omzetmutatie in % ZN* UVIT CZ Menzis Agis
Omeprazol - 67,9 mln. - 78%     
Simvastatine - 43,7 mln. - 88%     
Alendroninezuur - 27,3 mln. - 89%  
Paroxetine - 20,7 mln. - 76%   
Amlodipine - 18,3 mln. - 81%   
Pravastatine - 18,2 mln. - 75%     
Enalapril - 15,7 mln. - 80%    
Citalopram - 10,9 mln. - 77%     
Tamsulosine - 9,7 mln. - 51%  
Glimepiride - 8,8 mln. - 69%     
Sumatriptan - 8,7 mln. - 53%  
Perindopril - 8,4 mln. - 38%     
Risperidon - 8,0 mln. - 57%     
Metformine - 7,7 mln. - 46%     
Metoprolol - 6,6 mln. - 13%     
Lisinopril - 6,2 mln. - 69%     
Finasteride - 5,0 mln. - 80%  
Alfuzosine - 5,0 mln. - 61%     
Mirtazapine - 4,9 mln. - 67%   
Sertraline - 4,3 mln. - 62%     
Ciprofloxacine - 4,3 mln. - 77%     
Fluoxetine - 3,8 mln. - 82%   
Fosinopril - 3,6 mln. - 53%     
Ranitidine - 3,3 mln. - 58%     
Ramipril - 3,0 mln. - 72%    
Lansoprazol - 2,9 mln. - 63%     
Captopril - 2,8 mln. - 78%     
Fluvoxamine - 2,6 mln. - 62%     
Ethinylestradiol/levonorgestrel - 2,5 mln. - 10%     
Ondansetron - 2,3 mln. - 51%  
Claritromycine - 2,3 mln. - 31%     
Gliclazide - 2,2 mln. - 43%     
Quinapril - 2,0 mln. - 48%     
Ibuprofen - 1,9 mln. - 23%    
Tolbutamide - 1,1 mln. - 38%     
Codeine - 0,9 mln. - 28%     

*) Gezamenlijk preferentiebeleid onder regie van Zorgverzekeraars Nederland.

Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen