
Enquête CBG-MEB
Deel uw ervaring met achterstanden en geef uw mening via onze enquête
Meer maagmiddelen voor minder
16 oktober 2009
Het gebruik van maagmiddelen zal in 2009 relatief sterk toenemen, terwijl de geneesmiddelenuitgaven voor de meeste verzekeraars onder invloed van lagere prijzen aanzienlijk zullen dalen. Vooral huisartsen kiezen veel vaker voor geneesmiddelen waarvan generieke varianten beschikbaar zijn. Al jarenlang neemt het gebruik van de protonpompremmers sterk toe. In 2008 nam het aantal door de Nederlandse openbare apothekers verstrekte standaarddagdoseringen (DDD‘s) met ruim 13% toe tot 385 miljoen. In dezelfde periode namen de bijbehorende geneesmiddelenkosten (exclusief clawback) met 13% af tot € 230 miljoen. Prijsverlagingen van generieke geneesmiddelen als gevolg van het preferentiebeleid van zorgverzekeraars zijn de belangrijkste oorzaak van deze afname. Binnen de maagmiddelen vormen protonpompremmers verreweg de grootste groep.
Ruim 95% van de kosten van maagmiddelen wordt besteed aan protonpompremmers. In 2009 zal het gebruik naar verwachting nog sterker toenemen. Tot en met augustus 2009 nam het aantal verstrekte DDD‘s met 16% toe in vergelijking met dezelfde periode in 2008. Ondanks de sterke toename van het gebruik zullen de geneesmiddelenkosten ook in 2009 sterk dalen. In de periode tot augustus van dit jaar namen deze kosten met 25% af.
Meer generiekOmeprazol (Losec) blijft in 2009 de meest gebruikte maagzuurremmer. Het aantal verstrekte DDD‘s nam in de periode van januari tot en met augustus met 19% toe. Bij esomeprazol (Nexium) – het linksdraaiende isomeer van omeprazol – bedroeg deze stijging 17%. In tegenstelling tot omeprazol zijn van esomeprazol nog geen generieke varianten beschikbaar. Het aantal verstrekte DDD‘s van pantoprazol (Pantozol) nam met 13% toe. Pantoprazol wordt sinds begin mei 2009 generiek aangeboden. Ruim drie maanden na het patentverloop is meer dan driekwart van de verstrekte DDD‘s van dit middel generiek. Hierdoor neemt het aandeel van de generieke protonpomremmers toe van ruim de helft in het begin van dit jaar tot 70% in augustus.
Gevolgen preferentiebeleidOnder invloed van het preferentiebeleid dat verzekeraar Menzis voert voor pantoprazol, is een aantal generieke varianten fors lager geprijsd dan het spécialité. Vanwege het couvertmodel van Uvit hebben niet alle generieken de prijsdalingen gevolgd. Dit couvertmodel is een variant op het preferentiebeleid waarin via een onderhandse aanbesteding niet het laagst geprijsde product via een openbare geneesmiddelenprijslijst wordt gekozen, maar het product van de leverancier die de meeste korting aan de verzekeraar biedt. Zo bedraagt de officiële apotheekinkoopprijs van 30 pantoprazoltabletten 40 mg bij de voorkeursleverancier van Uvit € 28,47, terwijl de laagst geprijsde variant momenteel € 2,84 kost. Inmiddels heeft Uvit bekendgemaakt dat deze hogere geneesmiddelenkosten niet meetellen voor het eigen risico. Voor de apotheek blijft het pakjesmodel vreemde bijwerkingen houden. De clawbackafdracht van 8,53% door de apotheek voor deze duurdere variant komt in de buurt van de totale kosten van het laagst geprijsde middel. Daarnaast is de btw–afdracht aan de fiscus op deze manier van kortinguitkering veel te hoog.
De apotheker draagt btw af over de hoge apotheekinkoopprijs, terwijl de zorgverzekeraar die geen btw–plicht heeft de btw over de ontvangen korting niet kan terugclaimen bij de fiscus.
Eerste keuzeBij huisartsen is omeprazol momenteel duidelijk de protonpompremmer van eerste keuze. Driekwart van alle eerste uitgiften van protonpompremmers in openbare apotheken waarbij een huisarts de voorschrijver is, betreft een verstrekking van omeprazol. Pantoprazol en esomeprazol hebben bij 15% respectievelijk 8% van de huisartsen de voorkeur. Het aandeel van de huisartsenvoorschriften in het totale aantal eerste uitgiften van protonpompremmers bedraagt 75%. Voor de eerste voorschriften van specialisten liggen de verhoudingen heel anders. Van de eerste voorschriften van protonpompremmers van specialisten is 39% voor pantoprazol. Omeprazol en esomeprazol volgen beide met 29%. In het afgelopen jaar blijkt het aandeel van esomeprazol bij de eerste specialistenvoorschriften langzaam terrein te winnen ten koste van pantoprazol. Opvallend daarbij is dat van de eerstgenoemde nog geen generieke variant beschikbaar is en van pantoprazol inmiddels wel.
figuur 1: Verdeling eerste uitgiften protonpompremmers naar soort voorschrijver, juni t/m augustus 2009. 
Bij het eerste voorschrijven van een protonpompremmer maken huisartsen meestal een andere keuze dan specialisten. Huisartsen hebben als eerste voorschift duidelijk voorkeur voor omeprazol. Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen
Incidenten
10.20 uur Minister Klink van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
‘Transparantie in de relatie farmaceutische industrie en beroepsbeoefenaren: let the sun shine in’
Indien u bij deze gelegenheid aanwezig wilt zijn, kunt u zichaanmelden via de website van de CGR (www.cgr.nl)
Wednesday 4th March 2009
Drug giant boosts generic sales
Pharmaceutical giant Pfizer is to begin selling generic drugs throughout the US and Europe as part of a recent trend by brand name drug makers to move into the generics market. The move is an attempt to cash in on the hundreds of drugs that have lost patent protection in the United States and overseas.
Pfizer reached an agreement with Indian company Aurobindo Pharma to produce generics as part of the New York-listed company's established products unit. The Greenstone subsidiary already profits from the sale of more than 300 Pfizer medicines that have lost patent protection but still managed to generate $10 billion (£7.1bn) in sales last year. Aurobindo will take care of getting approval to make generic versions, while Pfizer will handle the marketing after licensing each product from Aurobindo.
David Simmons, president and general manager of the established products unit, said: "We're targeting by 2013 to generate more than $1 billion in incremental sales for the company through portfolio expansion." He said Pfizer is also considering how best to market all those off-patent drugs in emerging markets such as China, Russia and India.
Copyright Press Association 2009 Pfizer
© Campden Publishing Limited 2009
March 2 (Press release)
CGPA Welcomes President Obama's Support for Generic Biologics:
Urges Canadian Government to Implement Approval Pathway
TORONTO, March 2 /CNW/ - The Canadian Generic Pharmaceutical Association(CGPA) today urged the Government of Canada to follow United States President Barack Obama's budget proposal and implement an approval pathway for genericbiologic drugs. "President Obama recognizes the importance of providing patients suffering from cancer, diabetes and other diseases access to affordable alternatives by implementing an approval pathway for generic biologics," said Jim Keon, CGPA President. "We call on the Government of Canada to make that same commitment to Canadian patients."
President Obama's budget, which was released last week, called for the removal of barriers to allow for the approval of generic biologics, which are drugs made from living organisms, not chemicals. Brand-name biologics can cost hundreds of thousands of dollars per patient each year. In Canada, a number of these biologics will be coming off-patent over the next five years, and the patents for others have already expired. "Competition from safe and effective generic biologics would save consumers, provincial drug plans and private insurers millions of dollars each year and provide many more patients with access to lifesaving treatments," Keon said.
Health Canada has held extensive consultations on a Canadian approval pathway for generic biologics, but to date there is no firm target for implementing this important cost-saving measure. An approval pathway has been available for generic biologics in the European Union since 2004. CGPA member companies have already successfully developed and registered generic biologics in other jurisdictions, clearly demonstrating the scientific, medical and technological capabilities of Canada’s generic pharmaceutical industry.
One example of a generic biologic that would benefit Canadian patients is epoetin alpha, a man-made version of human erythropoietin (EPO). Epoetin is used to treat severe anemia in people whose bodies cannot produce enough natural EPO. Epoetin may also be used to prevent or treat anemia caused by other conditions, such as AIDS, cancer, or surgery. The brand-name version of this product, Eprex, has been on the market in Canada since 1990 and had sales of approximately $142-million in Canada in 2008.
Another example is filgrastim, which used to treat neutropenia, a condition that can be caused by chemotherapy, bone marrow transplants, and advanced HIV infections. Sold under the brand-name Neupogen, the product had Canadian sales of over $88-million in 2008. Both epoetin alpha and filgrastim are two of the generic biologics already approved by the European Medicines Association (EMEA) for patient use in the European Union, and the generic pharmaceutical industry expects these will be among the first generic biologics available to patients in both Canada and the United States once federal approval pathways are implemented.
16 februari 2009 News@Genericsbulletin Issue 248
Intellectual Property
EGA proposes patent change
Divisional patents that are substantially identical to the parent are being looked at closely by the European Patent Office (EPO). In a meeting last week with the European Generics medicines Association (EGA), the EPO's president Alison Brimelow said a change in the procedural rules was being debated by the EPO that would end such abuses.
Discussing the recent EGA report on intellectual property barriers to generic competition (Generics bulletin, 19 June 2008, page 10), Brimelow agreed that third-party observations were not considered at all or were considered too late. She said she would look into the problem, although she pointed out that the EPO’s refusal rate for weak applications had increased and that examiners had been given more time to refuse applications.
Lidia Mallo, the EGA’s legal and government affairs manager, said the EGA would continue its “constructive dialogue” with the EPO aimed at improving the efficiency of Europe’s patent system. In particular, the EGA wants the EPO to introduce a duty of candour to ensure all relevant information is disclosed by the applicant. This would need the European Patent Convention to be amended, Brimelow said, which was a change requiring the political support of member states.
The European Commission recently proposed a single community patent and a “unified and specialised” patent judiciary in its preliminary competition report (Generics bulletin, 5 December 2008, page 1). The EGA responded, however, by stating: “Proposals that do not address the urgent need for expert judges and the overuse of interim injunctions will not resolve many of the problems [hindering pharmaceutical market competition].”
12 februari 2009, Pharmaceutisch Weekblad, Jaargang 144 Nr 7
Aandeel generiek neemt toe
Het aandeel generieke voorschriften neemt ook na het preferentiebeleid toe tot bijna 60%. Deze ontwikkeling laat zien dat de vrees voor resubstitutie in 2008 ongegrond was. De prijsverlagingen per 1 juli 2008 die het gevolg waren van het preferentiebeleid maakten een eind aan de hoge kortingen op generieke geneesmiddelen. In de media werd uit de mond van zorgverzekeraars en volksvertegenwoordiging de vrees opgetekend dat resubstitutie naar duurdere merkgeneesmiddelen het gevolg zou kunnen zijn. Ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) ging hiervan uit bij de inschattingen van de gevolgen van het preferentiebeleid voor apotheekhoudenden.
Meer generiek
Van alle keren dat Nederlandse openbare apothekers in 2008 een receptplichtig geneesmiddel verstrekten betrof dat in 57,4% een generieke variant, tegen 55,6% in 2007. Het aandeel generieke verstrekkingen steeg vooral in de tweede helft van 2008, het halfjaar na de drastische prijsverlagingen van de generieke middelen. Het kwam toen uit op 58,7%, terwijl dat in het halfjaar daarvoor met 55,9% vrijwel gelijk aan dat van 2007 was. Deze ontwikkeling staat haaks op de inschattingen van de NZa. De toename van het aandeel generiek komt vooral voor rekening van geneesmiddelen die in het individuele preferentiebeleid van verzekeraars zijn opgenomen, zoals perindopril, metroprolol, ibuprofen, tamsulosine en risperidon. Voor perindopril en risperidon loopt het aandeelverhogende effect ten gevolge van het preferentiebeleid parallel aan dat wat bij geneesmiddelen meestal wordt gezien als er een generieke variant beschikbaar komt. De stijging van het generieke marktaandeel metropolol past redelijk in de trendmatige ontwikkeling. Het beeld bij tamsulosine toont in de tweede helft van 2008 een generiek aandeel van 86%. Dat is duidelijk meer dan op grond van de ingezette trend mocht worden verwacht. Het specialité Omnic OCAS, met afwijkende toedieningvorm, verloor dientengevolge aanzienlijk terrein. Hier is duidelijk merkbaar dat de preferentiebeleidvoerende verzekeraars de aanspraak hebben beperkt tot de door hen aangewezen geneesmiddelen. Het preferentiebeleid biedt de zorgverzekeraars namelijk meer ruimte dan het al langer bestaande substitutiebeleid, waarbij substitutie alleen is toegestaan als generiek en specialité identiek zijn met betrekking tot werkzame stof(fen), sterkte en geneesmiddelvorm. Volgens de wetgever moeten zorgverzekeraars binnen het preferentiebeleid per werkzame stof of combinatie van werkzame stoffen, minimaal één geneesmiddel aanwijzen dat voor vergoeding in aanmerking komt en hoeven ze daarbij geen rekening te houden met andere sterkten en afwijkende toedieningsvormen. Apothekers mogen alleen dan van het preferentiebeleid afwijken als de voorschrijvende arts aangeeft dat er voor de patiënt een medische noodzaak bestaat.
Resubstitutie
Bij de beoordeling van generieke substitutie zijn zowel de mogelijkheden op geneesmiddelniveau als die op het niveau van een farmacotherapeutische groep van belang. Op geneesmiddelniveau gaat het daarbij om merkloze middelen die equivalent zijn aan het specialité en op therapeutische-groepniveau om merkloze geneesmiddelen binnen de groep van geneesmiddelen met dezelfde ATC4-code. De substitutiegraad op geneesmiddelniveau lag voor receptplichtige geneesmiddelen in de eerste helft van 2008 op 90,8%. In de tweede helft van 2008 is deze gestegen naar 93,1% van het generieke potentieel. Dus van alle receptplichtige geneesmiddelen die als een generieke variant zouden kunnen worden afgeleverd, is 6,9% een specialité. De substitutiegraad op therapeutische-groepniveau lag in de tweede helft van 2008 op 67,6%, in het halfjaar daarvoor nog op 65,6%. Deze stijging komt voornamelijk op het conto van de ACE-remmers (hoge bloeddruk), de propionzuurderivaten (onderdeel van de NSAID's), de selectieve bètablokkers en de cholesterolverlagende statines. De ontwikkelingen in beide substitutievarianten tonen aan dat er van de gevreesde resubstitutie geen sprake is. figuur 1: Ontwikkeling generieke marktaandeel ten opzichte van het potentieel op equivalent geneesmiddelniveau en therapeutisch niveau (ATC4), eerste helft van 2007 = 100.
In de tweede helft van 2008 nam zowel het aandeel generieke verstrekkingen op geneesmiddel- als op therapeutisch niveau relatief sterk toe.
Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen
5 december 2008, Medisch Contact 63 nr. 49
Goed gekopieerd
Biosimilars even effectief en veilig als dure biologicals
Generieke geneesmiddelen zijn producten waarvan de werkzame stof een exacte kopie is van het originele geneesmiddel. Na het verloop van de wettelijke beschermingsperiode of van het octrooi mogen generieke bedrijven deze moleculen kopiëren en registreren. Het dossier voor registratie is beperkt van omvang en bevat naast een compleet chemisch-farmaceutisch deel alleen een studie naar de bio-equivalentie tussen het oorspronkelijke merkproduct en het generieke middel. Bio-equivalentie betekent dat de beide middelen een gelijkwaardig bloedspiegelverloop hebben in de tijd. Werking en veiligheid zijn dan gelijk. Dierproeven of klinisch onderzoek zijn in dat geval wettelijk niet meer nodig; voor die gegevens kan de generieke fabrikant verwijzen naar het oorspronkelijke dossier. De generiekegeneesmiddelenmarkt in Nederland is sterk gegroeid: van een aandeel van 20 procent in 1994 naar inmiddels meer dan 50 procent.
Groeihormonen
Biotechnologische geneesmiddelen (biologicals) vormen een van de snelst groeiende segmenten in de farmaceutische industrie. Biologicals zijn geneesmiddelen die als actieve substantie biotechnologisch-afgeleide eiwitten bevatten. Dat wil zeggen: gemaakt door levende (genetisch gemodificeerde) cellen of organismen. Belangrijke groepen biologische geneesmiddelen zijn groeihormonen, TNFalfablokkers, interferonen, erytropoëtinen, insulinen, koloniestimulerende factoren en monoklonale antilichamen. De ontwikkeling van met name monoklonale antilichamen binnen de oncologie neemt een hoge vlucht. Ze zijn een belangrijk onderdeel geworden van het therapeutisch arsenaal. De verwachting is dat in 2010 deze dure biofarmaceutische producten 25 procent van de farmaceutische omzet en 50 procent van alle nieuwe toepassingen zullen omvatten. Kopieën - en dus goedkopere versies - van deze biologische geneesmiddelen worden wel biosimilars genoemd. Omnitrope, een biotechnologisch geproduceerd groeihormoon, gemaakt door Sandoz, was in 2006 de eerste geregistreerde biosimilar op de Europese markt. Het referentieproduct was Genotropin (Pfizer). Inmiddels zijn ook de eerste drie biosimilars van erytropoëtine (epoëtine) in 2007 geregistreerd en de verwachting is dat vele andere biosimilars zullen volgen.
Levende systemen
Biosimilars zijn niet vergelijkbaar met traditionele generieke geneesmiddelen. De Europese registratieautoriteit EMEA beschouwt ze als een opzichzelfstaande groep nieuwe producten (similar biological medicinal products). Biosimilars kennen dezelfde aandachtspunten wat betreft de kwaliteit als biologicals. Kenmerkend is het complexe productieproces van deze geneesmiddelen in levende systemen (gemodificeerde cellijnen of organismen) waardoor in theorie variaties in de actieve stof kunnen ontstaan. Dit zou aanzienlijke verschillen kunnen opleveren die consequenties hebben voor kwaliteit, werking en bijwerkingen. Vandaar dat additionele eisen worden gesteld aan de vergelijkbaarheid van kopie en referentieproduct. Dit vereiste vergelijkingsproces wordt ook wel comparability exercise genoemd. Dit moet in de eerste plaats vanuit chemisch-farmaceutisch oogpunt gebeuren, wat met hedendaagse technieken goed mogelijk is. Daarnaast moet vergelijkbaarheid met behulp van dierfarmacologisch en klinisch onderzoek worden aangetoond. Dezelfde dosis moet eenzelfde klinische werkzaamheid hebben, maar dit hoeft niet voor alle indicaties te worden aangetoond. Voldoende is dit te doen voor de meest gevoelige indicatie of klinische test. Hiervoor is specifiek onderzoek nodig dat het kleinste verschil in effectiviteit ook daadwerkelijk aantoont. Dit is afhankelijk van het product. Voor groeihormoon (GH) moet die gelijke effectiviteit worden aangetoond bij naïeve GH-deficiënte jonge kinderen. Indien de werkzaamheid voor andere indicaties op hetzelfde werkingsmechanisme is gebaseerd, kunnen ook de andere indicaties worden geaccepteerd.
Bijwerkingen
Aan het registratiedossier voor een biosimilar worden dus veel meer eisen gesteld dan aan een dossier voor een generiek geneesmiddel. De EMEA heeft naast algemene richtlijnen voor biologicals ook productgroepspecifieke richtsnoeren vastgesteld. Net als voor andere biologicals gelden voor biosimilars strenge eisen wat betreft de veiligheid van het nieuwe product in relatie tot het originele product, waarvan het veiligheidsprofiel bekend is. Er moet worden gekeken of er onverwachte bijwerkingen zijn of dat er een verschil is in de frequentie van veelvoorkomende bijwerkingen. Naast de herkomst van de actieve stof kunnen hulpstoffen en conserveringsmiddelen van invloed zijn op het eindproduct. Er is speciale aandacht voor eventuele immunogeniciteit. Alle biologische geneesmiddelen hebben een risico op het ontwikkelen van specifieke antilichamen. Uiteraard mag dit bij een biosimilar beslist niet hoger zijn dan bij het originele product. Ook al zijn de resultaten tot nu toe geruststellend, toch worden nog nadere eisen gesteld om dit verder te bevestigen na registratie. Soms worden er beperkingen aan het gebruik gesteld. De epoëtinebevattende biosimilars zijn uitsluitend goedgekeurd voor intraveneus gebruik. Er waren onvoldoende gegevens over de veiligheid bij subcutane toediening. Het is bekend dat subcutane toediening in het algemeen een groter risico op ontwikkeling van antilichamen kent, vandaar de beperking.
Uitwisselbaar
Als een biosimilar door de EMEA is geregistreerd, kunnen we ervan uitgaan dat een biosimilar ten minste net zo veilig, effectief en van een vergelijkbare kwaliteit is als het originele product. Desalniettemin is er na introductie op de markt wel een verschil in ervaring tussen de beide producten. Hoe zal de biosimilar zich feitelijk gedragen als deze wordt toegepast bij grote groepen patiënten, bijvoorbeeld wat betreft zeldzame bijwerkingen en eventuele immunogeniciteit. In principe geldt dezelfde zorg voor originele biologicals. Immers ook deze originele producten ondergaan wijzingen in het productieproces die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid. Het optreden van pure red cell aplasia (PRCA) bij Eprex, jaren nadat het op de markt kwam, is daarvan een voorbeeld. Vandaar dat de EMEA van de fabrikant een pharmacovigilanceprogramma (geneesmiddelbewaking) eist na registratie. Net zoals dat gebeurt bij andere biologische geneesmiddelen moeten patiënten die met een biosimilar worden behandeld, intensief worden gevolgd. Biosimilars zijn dus therapeutisch gelijkwaardig en derhalve uitwisselbaar. Substitutie is iets anders en speelt veelal op het niveau van de (ziekenhuis)apotheek. Voor biosimilars mag dit naar onze mening alleen in overleg met de behandelend arts. Goede samenwerking tussen arts, apotheker en patiënt is hierbij een voorwaarde. Als er toch bijwerkingen optreden, dan is het van groot belang dat duidelijk is welk preparaat en uit welke batch de patiënt een middel heeft gebruikt. Bij het gebruik van groeihormoonpreparaten speelt naast de keuze voor een bepaald groeihormoon ook de keuze van de patiënt voor een bepaald toedieningsysteem (pen voor dagelijkse subcutane injectie) gekoppeld aan een specifiek groeihormoonpreparaat een rol. Dit aspect moet worden meegewogen bij substitutie.
Database
Er is eigenlijk geen reden om terughoudend te zijn met het gebruik van biosimilars. Biosimilars zijn bij registratie even effectief en veilig als het originele referentieproduct. Echter elk nieuw biotechnologisch middel (dus ook een biosimilar) herbergt potentieel onbekende risico's. Zeer kleine verschillen in effecten op lange termijn en zeldzame bijwerkingen tussen biosimilar en origineel product kunnen alleen worden opgespoord door middel van langdurige follow-uponderzoeken bij grote groepen patiënten. Alle partijen die zijn betrokken bij biosimilars zouden moeten investeren in de opbouw van een breed beschikbare database met veiligheidsgegevens.
Samenvatting
- Biosimilars zijn kopieën en goedkope versies van biotechnologische geneesmiddelen (biologicals).
- Deze eiwitten kenmerken zich door een complexe structuur en dito productieproces. Vandaar dat in het registratiedossier additionele eisen worden gesteld aan de vergelijkbaarheid van kopie en referentieproduct.
- Bij registratie echter zijn biosimilars even effectief en veilig, en dus uitwisselbaar.
- Substitutie dient alleen in overleg met de arts plaats te vinden.
Auteurs
dr. Anton Franken, internist Isala klinieken, lid College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG)
dr. Frits Lekkerkerker, oud-voorzitter CBG, oud-lid werkgroep biosimilars European Medicines Agency (EMEA)
Correspondentieadres: a.a.m.franken@isala.nl;
c.c.: redactie@medischcontact.nl
Geen belangenverstrengeling gemeld.
Antitrust: Tussenverslag onderzoek farmasector brengt
kostprijs vertragingstactieken farmabedrijven in beeld
28 augustus 2008, Pharmaceutisch Weekblad, Jaargang 143 Nr 35
Zonder grote verschuivingen in de marktverhoudingen tussen de verschillende leveranciers, leidde de prijzenslag in juni rond generieke geneesmiddelen in diezelfde maand tot een prijsdaling van bijna 30%. In juli zal dit effect verder doorzetten. Als gevolg van het preferentiebeleid bij zorgverzekeraars vond dit jaar een prijzenslag tussen generieke leveranciers plaats. De prijs van sommige geneesmiddelen daalde in juni zelfs met meer dan 90%. Niet alle leveranciers gingen even diep. Hierdoor ontstonden aanvankelijk aanzienlijke prijsverschillen en wees de zorgverzekeraar per preferent geneesmiddel in de meeste gevallen één enkele leverancier aan.
De SFK bepaalt de ontwikkeling van het prijspeil door maandelijks op artikelniveau de kosten van de in totaal verstrekte hoeveelheid geneesmiddelen te vergelijken met de kosten van dezelfde hoeveelheid tegen de prijzen van de volgende maand. Op basis van deze methodiek werd in juni een prijsdaling van bijna 30% verwacht. Bij hantering van dezelfde methodiek, maar dan terugkijkend, blijkt uit de SFK-cijfers over de in juni afgeleverde geneesmiddelen de prijsdaling eveneens op bijna 30% uit te komen. Dit wijst erop dat er in juni nog geen grote verschuivingen optraden in de aandelen van de leveranciers in de hoeveelheid verstrekte generieke geneesmiddelen. Medio juni wezen zorgverzekeraars de preferente geneesmiddelen aan. Op grond hiervan mag worden verwacht dat het marktaandeel van met name Ratiopharm en Centrafarm vanaf juli aanzienlijk toe zal nemen. In juni bleek dit nog niet het geval. De marktaandelen van van deze 'winnaars' van de preferentieslag, namen slechts beperkt toe. Onzekerheid over de inkoopcondities voor de preferente middelen is waarschijnlijk de verklaring voor de geringe verschuivingen in juni in de richting van de winnende labels. Groothandels reageerden op de prijsdalingen door apotheken voor de sterk in prijs gedaalde geneesmiddelen een distributiefee in rekening te brengen of dreigden een deel van deze producten uit hun assortiment te halen. Twee leveranciers die in juni nauwelijks prijsverlagingen hadden doorgevoerd en dus de preferentieboot hadden gemist, deden apotheken het voorstel de effecten van de prijsverlagingen voor zich uit te schuiven door patiënten voor de maximaal toegestane periode van drie maanden een niet in prijs verlaagd middel te verstrekken. De actie was geen succes. Het marktaandeel van de betreffende leveranciers bleef in juni gelijk.
Behalve een preferentiebeleid voeren, maken zorgverzekeraars en apothekers afspraken over het uitsluitend mogen declareren van de laaggeprijsde geneesmiddelen. Daarbij wordt een bandbreedte gehanteerd waarbij apotheken geen geneesmiddelen mogen verstrekken waarvan de prijs meer dan 3 of 5% hoger is dan het laagst geprijsde vergelijkbare geneesmiddel. Een soortgelijke afspraak is de zogenaamde laagste prijsgarantie. Volgens deze afspraak is de apotheker vrij in de keuze van het label, maar brengt hij maximaal de prijs van het laagst geprijsde geneesmiddel in rekening. De verschillende bandbreedteafspraken zorgen ervoor dat de prijzen nivelleren in de richting van het laagste prijsniveau. Dit bijsluiteffect bleek voor het eerst uit de taxeprijzen in juli. Leveranciers van niet door het preferentiebeleid aangewezen geneesmiddelen verlaagden hun prijzen om binnen de bandbreedteafspraken te komen en op deze wijze de vergoedingstatus bij de zorgverzekeraars die geen preferentiebeleid voeren, veilig te stellen. Uit de taxeprijzen voor augustus blijkt dit bijsluiteffect zich verder voort te zetten en nam de gemiddelde afstand tot het laagste prijsniveau voor generieke geneesmiddelen verder af.
Figuur 1: De prijzen van generieke geneesmiddelen daalden in een jaar bijna 60%
Ontwikkeling prijsniveau generieke receptgeneesmiddelen in de periode augustus 2007-juli 2008 (augustus 2007 = 100). Het preferentiebeleid is de belangrijkste reden voor de sterke prijsdaling.
Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen
26 juni 2008, Pharmaceutisch Weekblad, Jaargang 143 Nr 26
Apothekers wisselen op eigen initiatief minder vaak van label dan door zorgverzekeraars wordt beweerd. Door het preferentiebeleid moeten de meeste gebruikers van simvastatine vanaf 1 juli voor de tweede keer in dit jaar van label wisselen. Het afgelopen jaar was dat maar bij één op de tien gebruikers het geval.
Als gevolg van de nieuwe ronde in het preferentiebeleid verwerven leveranciers van generieke geneesmiddelen tijdelijk het alleenrecht op de levering van geneesmiddelen. Dit betekent dat apothekers aan patiënten alleen een geneesmiddel van dat label mogen leveren, tenzij een ander middel medisch noodzakelijk is voor de patiënt. De meeste gebruikers van simvastatine moeten daardoor voor de tweede keer dit jaar van label wisselen. Simvastatine valt onder het gezamenlijke preferentiebeleid dat een zestal grote zorgverzekeraars onder regie van Zorgverzekeraars Nederland voert. In januari moest het merendeel van de gebruikers van simvastatine overstappen op de generieke variant van de Indiase producent Ranbaxy. Vanaf juli zal simvastatine voor de meeste gebruikers in een doosje van Actavis of Ratiopharm zitten.
Het telkens moeten wisselen van label is een bezwaar dat apothekers tegen het preferentiebeleid hebben. De afgelopen tijd verschenen er echter diverse berichten in de media dat apothekers het vóór de invoering van het preferentiebeleid zelf ook niet zo nauw namen met hun eigen labelvastheid. Tijdens het Farma Congres 2008 zei kamerlid Eelke van der Veen (PvdA) dat apothekers vanwege hun kortingen en bonussen zelf tot vier keer per jaar wisselden van leverancier. Vektis – het informatiecentrum voor de zorgverzekeraars – berekende dat door toedoen van apotheken in anderhalf jaar tijd 30% van de simvastatinegebruikers van label verandert. Uit onderzoek van de SFK blijkt echter dat apotheken veel minder vaak van leveranciers wisselen dan wordt beweerd. In 2007 kreeg nog geen 8,6% van de gebruikers van simvastatine te maken met een doosje van verschillende leveranciers. Dit percentage komt iets hoger uit als het totaal aantal gebruikers wordt gecorrigeerd voor die gebruikers die slechts éénmalig simvastatine kregen voorgeschreven, namelijk op 10,2%. Daarmee is in slechts 2,3% van het aantal voorschriften sprake van een switch. Een deel van deze wisselingen in 2007 had al te maken met het preferentiebeleid voor 2008. Om voorraadverliezen te beperken leverden sommigen apothekers al in december 2007 simvastatine van Ranbaxy af. Omdat Vektis een wijziging van verpakkingsgrootte of een wijziging in de voorgeschreven sterkte ten onrechte als een labelswitch heeft aangemerkt, geven die cijfers een vertekend beeld. Bovendien strekte het onderzoek Vektis zich uit over een periode van anderhalf jaar.
Als gevolg van contractuele afspraken met toeleveranciers van de apotheek vinden labelwisselingen relatief vaker plaatst rondom de jaarwisseling. In de periode juli 2006 tot en met juni 2007 nam het aantal gebruikers dat simvastatine van verschillende leveranciers verstrekt kreeg toe tot 23,5%. Een substantieel deel van deze labelwisselingen waren het gevolg waren van de overname van Hexal door Sandoz. De doosjes van Hexal waren na de fusie niet meer verkrijgbaar, apothekers moesten wel over. Als hiervoor wordt gecorrigeerd, blijkt dat 15,6% van de gebruikers een label wisseling heeft meegemaakt. Dit impliceert dat de gemiddelde gebruiker eens in de 6 jaar van label zou wisselen. Dit valt in het niet bij het aantal keer dat gebruikers vanwege het preferentiebeleid van label moet veranderen. Naast afspraken met leveranciers, zijn ook veranderingen in het eigendom van de apotheek en tijdelijke leveringsproblemen redenen voor apothekers om van label te switchen. Jaarlijks wisselt bijna 5% van de apotheken van eigenaar. Deze overnames vinden vooral rond de jaarwisseling plaats, waarbij de nieuwe apotheekeigenaar een voorkeur kan hebben voor een andere leverancier.
Figuur 1: Marktaandelen in voorschriften van generieke leveranciers
Ook op basis van de verdeling van het aantal voorschriften naar leverancier af te leiden dat het aantal labelwisselingen na het preferentiebeleid bij aanwijzing van een enkele leverancier hoger is dan in de periode daarvoor. Vanaf 1 juli 2008 zal het plaatje er weer volledig anders uitzien.
Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen
29 mei 2008, Pharmaceutisch Weekblad, Jaargang 143 Nr 22
Als gevolg van het preferentiebeleid van zorgverzekeraars is er een ware prijzenslag ontketend onder generieke geneesmiddelenleveranciers. Per 1 juni a.s. dalen de prijzen van de belangrijkste generieke geneesmiddelen met gemiddeld 85%. In enkele gevallen worden de prijzen zelfs met meer dan 90% verlaagd. Per saldo leiden de prijsverlagingen van juni tot een kostenverlaging van € 355 miljoen op jaarbasis.
Eerder dit jaar waren de prijzen van generieke geneesmiddelen al met € 125 miljoen verlaagd als gevolg van het Transitieakkoord dat minister Klink vorig jaar sloot met de geneesmiddelensector. Medio mei hebben de generieke leveranciers hun medewerking aan het Transitieakkoord opgezegd uit onvrede over het doorzetten van het preferentiebeleid door zorgverzekeraars.
De landelijke “aanbesteding” van zorgverzekeraars heeft een ware prijzenslag tussen generieke geneesmiddelenleveranciers ontketend. Naar verluid hebben sommige leveranciers hun prijzen tot onder de kostprijs verlaagd om daarmee een unieke positie op de Nederlandse markt te verwerven. Als gevolg van het preferentiebeleid zien enkele generieke geneesmiddelenleveranciers hun marktaandeel drastisch slinken. Grote “winnaar” bij de generieke leveranciers – voor zover er van een winnaar gesproken kan worden – is het Duitse Ratiopharm dat bij diverse belangrijke geneesmiddelen een monopoliepositie verwerft. Dit neemt overigens niet weg dat de apotheekomzet van Ratiopharm bij de geneesmiddelen die vallen binnen het preferentiebeleid halveert (zie tabel 1). Grote verliezer is Pharmachemie waarbij de omzet daalt tot een kwart van de huidige omzet.
Tabel 1: Omzetmutatie per leverancier van geneesmiddelen binnen het preferentiebeleid, op jaarbasis
| Leverancier | Omzetmutatie | in % |
|---|---|---|
| Sandoz | - 69 mln. | -56% |
| Pharmachemie | - 88 mln. | -77% |
| Ratiopharm | - 22 mln. | -47% |
| Actavis | - 29 mln. | -72% |
| Focus Farma | - 32 mln. | -83% |
| Apothecon | - 12 mln. | -53% |
| Merck Generics | - 14 mln. | -65% |
| Katwijk Farma | - 10 mln. | -48% |
| Centrafarm | - 6 mln. | -34% |
Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen
Het preferentiebeleid van zorgverzekeraars houdt in, dat diverse grote zorgverzekeraars zoals UVIT, Menzis, CZ en AGIS van bepaalde veelgebruikte geneesmiddelen alleen nog de allergoedkoopste variant vergoeden.
Naast de maagzuurremmer omeprazol en de cholesterolverlagers simvastatine en pravastatine waarbij de zorgverzekeraars onder regie van Zorgverzekeraars Nederland een gezamenlijk voorkeursbeleid voeren, breiden de zorgverzekeraars per 1 juli aanstaande. hun preferentiebeleid fors uit. Geneesmiddelenfabrikanten werden uitgenodigd een nieuwe landelijke geneesmiddelenprijs af te geven die vanaf 1 juni geldt. Op grond van deze prijsopgave wijzen de zorgverzekeraars de geneesmiddelen aan die vanaf 1 juli nog vergoed worden. In de praktijk komt dit erop neer dat in de meeste gevallen alleen nog de allergoedkoopste variant vergoed wordt . In tabel 3 is een overzicht gegeven van de geneesmiddelen waar het omgaat.
Alleen als de arts van oordeel is dat er sprake is van een “medische noodzaak” krijgt de patiënt het geneesmiddel dat hij gewoon was te gebruiken nog vergoed door de zorgverzekeraar. In de andere gevallen zal de patiënt moeten overstappen op het goedkoopste label, of de kosten van het vertrouwde middel volledig uit eigen zak betalen.
Vanaf 1 juli zal het minimaal 3,4 miljoen keer voorkomen dat verzekerden moeten overstappen op een geneesmiddel van een andere fabrikant, omdat hun zorgverzekeraar alleen nog de allergoedkoopste variant vergoed.
Sommige verzekeraars, zoals Achmea en Zorg & Zekerheid voeren geen preferentiebeleid, maar hebben met apotheken afgesproken dat zij alle geneesmiddelen aan hun verzekerden mogen leveren, maar dat de apotheken slechts de prijs van de goedkoopste variant van het betreffende geneesmiddel vergoed krijgen.
Tabel 2: Top 10 van goedkoopste varianten met de meeste impact op de geneesmiddelenomzet
| Geneesmiddel | Leverancier | AIP mei | AIP juni | Mutatie | |
|---|---|---|---|---|---|
| 1 | Omeprazol tabletten/capsules 20mg | Ratiopharm | € 0,36 | € 0,05 | -88% |
| 2 | Alendroninezuur tabletten 70mg | Centrafarm | € 4,99 | € 0,36 | -93% |
| 3 | Omeprazol tabletten/capsules 40mg | Centrafarm | € 0,65 | € 0,09 | -86% |
| 4 | Paroxetine tabletten 20mg | Ratiopharm | € 0,37 | € 0,07 | -82% |
| 5 | Simvastatine tabletten 40mg | Actavis | € 0,27 | € 0,04 | -84% |
| 6 | Pravastatine tabletten 40mg | Focus Farma | € 0,54 | € 0,13 | -76% |
| 7 | Simvastatine tabletten 20mg | Ratiopharm/Actavis | € 0,17 | € 0,03 | -85% |
| 8 | Tamsulozine tabletten/capsules 0,4mg | Centrafarm | € 0,34 | € 0,07 | -80% |
| 9 | Amlodipine tabletten 5mg | Ratiopharm | € 0,19 | € 0,03 | -85% |
| 10 | Citalopram tabletten 20mg | Ratiopharm | € 0,34 | € 0,04 | -88% |
Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen
Als gevolg van het Transitieakkoord waren de prijzen van generieke geneesmiddelen in de eerste maanden van dit jaar al met gemiddeld 13% verlaagd. Uitgedrukt in euro’s betreft dit een bedrag van € 125 miljoen. Vanaf 1 juni dalen de prijzen van generieke geneesmiddelen over de volle linie met nog eens € 250 miljoen. Doordat de verzekeraar alleen nog (het middel met) de laagste prijs vergoedt, komt hier nog eens € 60 miljoen aan prijsverlaging bovenop. Tenslotte heeft het preferentiebeleid ook een uitstralingseffect naar merkgeneesmiddelen wat leidt tot een extra omzetverlaging van nog eens € 45 miljoen.
Tot nu toe realiseren de apotheken belangrijke inkoopvoordelen bij de generieke geneesmiddelen. Deze inkoopvoordelen verdampen nu in één klap. Met de inkoopvoordelen compenseerden apotheken het tekort op de receptregelvergoeding. Mede op grond van het praktijkkostenonderzoek dat de Nederlandse Zorgautoriteit vorig jaar heeft laten uitvoeren, kan worden berekend dat het tekort op de receptregelvergoeding per apotheek uitkomt op € 160.000. Vanwege de prijzenslag bij generieke geneesmiddelen eist de KNMP, de beroepsorganisatie van apothekers, inmiddels bij minister Klink dat de receptregelvergoeding alsnog per direct wordt verhoogd tot kostendekkend niveau. Binnen het Transitieakkoord zijn hierover afspraken gemaakt. Recentelijk heeft minister Klink in de Tweede Kamer nog bevestigd dat hij in 2008 het apotheektarief zou verhogen tot kostendekkend niveau als het inkoopvoordeel voor de apotheek verdwijnt.
Tabel 3: Omzetmutatie per werkzame stof van geneesmiddelen binnen het preferentiebeleid, op jaarbasis
| Werkzame stof | Omzetmutatie | in % | ZN* | UVIT | CZ | Menzis | Agis |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Omeprazol | - 67,9 mln. | - 78% | • | ||||
| Simvastatine | - 43,7 mln. | - 88% | • | ||||
| Alendroninezuur | - 27,3 mln. | - 89% | • | • | • | • | |
| Paroxetine | - 20,7 mln. | - 76% | • | • | • | ||
| Amlodipine | - 18,3 mln. | - 81% | • | • | • | ||
| Pravastatine | - 18,2 mln. | - 75% | • | ||||
| Enalapril | - 15,7 mln. | - 80% | • | • | |||
| Citalopram | - 10,9 mln. | - 77% | • | ||||
| Tamsulosine | - 9,7 mln. | - 51% | • | • | • | • | |
| Glimepiride | - 8,8 mln. | - 69% | • | ||||
| Sumatriptan | - 8,7 mln. | - 53% | • | • | • | • | |
| Perindopril | - 8,4 mln. | - 38% | • | ||||
| Risperidon | - 8,0 mln. | - 57% | • | ||||
| Metformine | - 7,7 mln. | - 46% | • | ||||
| Metoprolol | - 6,6 mln. | - 13% | • | ||||
| Lisinopril | - 6,2 mln. | - 69% | • | ||||
| Finasteride | - 5,0 mln. | - 80% | • | • | • | • | |
| Alfuzosine | - 5,0 mln. | - 61% | • | ||||
| Mirtazapine | - 4,9 mln. | - 67% | • | • | • | ||
| Sertraline | - 4,3 mln. | - 62% | • | ||||
| Ciprofloxacine | - 4,3 mln. | - 77% | • | ||||
| Fluoxetine | - 3,8 mln. | - 82% | • | • | • | ||
| Fosinopril | - 3,6 mln. | - 53% | • | ||||
| Ranitidine | - 3,3 mln. | - 58% | • | ||||
| Ramipril | - 3,0 mln. | - 72% | • | • | |||
| Lansoprazol | - 2,9 mln. | - 63% | • | ||||
| Captopril | - 2,8 mln. | - 78% | • | ||||
| Fluvoxamine | - 2,6 mln. | - 62% | • | ||||
| Ethinylestradiol/levonorgestrel | - 2,5 mln. | - 10% | • | ||||
| Ondansetron | - 2,3 mln. | - 51% | • | • | • | • | |
| Claritromycine | - 2,3 mln. | - 31% | • | ||||
| Gliclazide | - 2,2 mln. | - 43% | • | ||||
| Quinapril | - 2,0 mln. | - 48% | • | ||||
| Ibuprofen | - 1,9 mln. | - 23% | • | • | |||
| Tolbutamide | - 1,1 mln. | - 38% | • | ||||
| Codeine | - 0,9 mln. | - 28% | • |
*) Gezamenlijk preferentiebeleid onder regie van Zorgverzekeraars Nederland.
Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen